Opa

Het klinkt misschien clichématig, maar als je een Russische vriendin hebt krijg je de familie er gratis doch verplicht bij. Dit heeft natuurlijk veel voordelen, maar ook zeker nadelen. In Kaliningrad werden deze uitersten nog eens extra benadrukt, want op de dag van aankomst stond de telefoon al roodgloeiend met belletjes van verre (aangetrouwde) tantes en ooms.

Het maakt in Rusland waarschijnlijk niet uit hoeveel tijd je aan familiebezoeken besteedt, het lijken er nooit genoeg te zijn. Ook maakt het niet uit of je ze ooit eerder hebt gezien; familie is familie. Ten tijde van de Sovjetunie zijn veel families versnipperd en verspreid geraakt. Dit kwam bijvoorbeeld doordat de vader werk diende te vervullen in een staatsfabriek, een paar duizend kilometer verderop.

Door de grote afstanden is het mogelijk om in hetzelfde land wonen als je bloedverwanten, zonder ze ooit gezien te hebben. Kortstondige ontmoetingen als peuter tellen niet mee. Omdat veel familie in Kaliningrad woont en wij er toch waren, is het op zijn zachtst gezegd beledigend om niet ‘even’ een dagje langs te komen. Zodoende besloten we even op de koffie te gaan bij een tante. Dit werden uiteindelijk vier dagen. Waarvan er natuurlijk niet één zonder alcohol.

Het hoogtepunt (of dieptepunt) van het bezoek, in termen van alcoholinname, was toen we de opa van mijn vriendin onze condoleances kwamen brengen. Hij had een paar maanden terug zijn vrouw verloren aan een hartstilstand. Opa woont sindsdien alleen in een klein appartementje in een buitenwijk van de stad. Ze zijn 55 jaar getrouwd geweest.

Een duizelingwekkend getal, waar ik me niks bij voor kan stellen. Ik speelde nog in de zandbak toen zij hun 25 jarige jubileum vierden. Je kunt je misschien voorstellen hoe erg ik ernaar uitkeek om op visite te komen bij deze rouwende Rus. Zowel mijn levenservaring als verlieskunde vaardigheden zijn verreweg ontoereikend om deze man enige waardevolle steun te kunnen bieden. Het beloofde een aangrijpende, aangeschoten middag te worden. Ik hield mijn hart vast.

Vanuit ons naïeve idee om een uurtje bij hem op de koffie te gaan, hadden we voor de gelegenheid wat gebakjes meegenomen. Bij aankomst in het kleine appartementje werd echter duidelijk dat opa heel andere plannen voor de daginvulling had. Zonder te glimlachen deed hij open. En in plaats van eerst de meegebrachte koffie met gebak te nuttigen, zette hij een fles wodka neer.

Dit geheel werd aangevuld met blokjes puur varkensvet, droog brood en een wat rauwe ui. Dit is in Rusland vooral bij de oudere generatie een delicatesse (of het enige voorhanden) wanneer er wordt gedronken. Mogelijkerwijs omdat het varkensvet zowaar nog onsmakelijker is dan de wodka. We zaten een poosje in ongemakkelijke stilte.

Nadat de eerste glaasjes wodka en wat stukken rauwe ui waren genuttigd (de varkensvet probeerde ik uit te stellen), verdween opa in een andere kamer. Daar frommelde hij wat in een kast en kwam terug met een oude foto van zijn pas overleden vrouw. Hij vertelde hoe ze elkaar ontmoet hadden toen ze nog tieners waren. Dit was ten tijde van het communisme, ongeveer zestig jaar geleden. Het gesprek viel op sommige momenten stil aan het kleine keukentafeltje, waarna er weer wat wodka werd bijgeschonken.

Of het nou door de alcohol aangewakkerd werd of niet, het was zwaar om te aanschouwen dat hij zijn tranen soms niet kon inhouden. Een ooit zo trotse man, zijn vrouw en daarmee zijn levensdoel ontnomen. Als je nog niet zo goed Russisch spreekt, is het moeilijk om op zulke momenten je medeleven te uiten zonder iets verkeerds of ongemakkelijks te zeggen. Helemaal als je uit beleefdheid stukken varkensvet naar binnen probeert te schrokken.

In zulke gevallen blijkt wodka een goede vriend, vooral omdat je met iedere slok beter Russisch lijkt te kunnen spreken. Zelfs de eigenaardige borrelsnacks leken door de alcohol even niet naar rubber te smaken. Dit maakt de interessante voedselkeuze van Russen wellicht wat begrijpelijker. De tijd begon te vliegen want plotseling waren we 2 uur verder en de fles was leeg. Met veel moeite voorkwamen we dat er een nieuwe werd geopend.

We besloten in beschonken toestand wat fotoalbums te bekijken met begeleidende woorden van opa. Het besef kwam op kortstondige momenten dat ik me eigenlijk in een tamelijk surrealistische situatie bevond; Op een snikhete middag stomdronken door fotoalbums van een rouwende oud-sovjet gediende bladeren, begeleid door hier en daar een (halfbakken Russisch) woord van medeleven.

De ervaring leert dat verzetten tegen de wodka doorgaans geen zin heeft, vooral niet bij een eerste ontmoeting. Misschien is het met wat slimmigheidjes echter mogelijk de schade beperkt te houden, ook al is me dat deze keer wederom niet gelukt. 

Van links naar rechts: Opa’s zoon, Ik, Opa.

© Stefan Hoekstra/The Social Writer, 2019. Unauthorized use/and or duplication of this material without express and written permission from the site’s author and/or owner is strictly prohibited. Excerpts and links may be used, provided that full name and clear credit is given to Stefan Hoekstra and The Social Writer with appropriate and specific direction to the original content.     

The Dutch Eye

Being abroad a lot, one can easily forget his roots. Recently, an enormous building had been opened in the centre of Groningen, my idyllic hometown in the north of the Netherlands. Located on its upper floor, there’s a fine cafe which offers spectacular views over the city and beyond. 

The average Italian or a Frenchman would be lyrical about the scenery. Romantic thinkers like them would be lost for words when trying to describe the aesthetics of the view.

From above, the Frenchman would perhaps notice the melancholy of Dutch weather, and the Italian would be besieging an adherent with a monologue on the town’s architectural elegance. And they’d both surely daydream how Caspar David Friedrich or van Gogh would colorize these urban landscapes. For them, aestheticism clearly comes first.

With a similar attitude, I was sitting in the cafe the other day, taking in the view and gazing over the city, giving my mind some rest while inhaling some renewed inspiration.

The spot was ideal. My table adjoined a large window, looking out across the southern part of the city.  As seen from there, the panorama was a colourful blend of red, pantile roofs and gothic church towers, contrasting against a backdrop of modern apartment blocks and offices. The finishing touch were darkened clouds that hovered above pastures far beyond the city’s bounds. 

Caspar David Friedrich – Flachlandschaft am Greifswalder Bodden 1816-18

But in a populous country like the Netherlands, in a popular outlook bar like this, on a perfect spot like mine, personal space and integrity are brushed aside. From the corner of my eye, I could see that a company of middle aged Dutch women had finished slurping black coffee. Moreover, they were marching in a fast tempo towards my table. 

The curious company came standing right behind my chair. Some of them were even leaning over me, and started making remarks about the view. Within seconds, I was trapped and surrounded, and forced to listen closely. But their comments were of a different kind than my hypothesis about the Italian or Frenchman. 

They initially exchanged some neutral facts about the city. Then, one lady (while breathing in my neck) questioned the others how the outside windows are cleaned at such heights. That clearly created uproar in the group. Thus, all possible ways of cleaning were discussed thoroughly. Does the cleaning company use a hydraulic hoist or is it all automatized? 

Without conclusion, the subject changed, as one of the ladies spotted an enormous grey building in the distance. Her comment evoked a lively discussion about its function either. Was it the tax office, or the telephone company? Another uproar amongst the practical-minded women followed.

An elderly lady with short grey hair then summed up all the names of all possible places she could reminisce. Her local shopping centre. Her previous bank. A carpet shop where she had bought a carpet. I silently wondered whether they noticed any of the panoramic beauty that presented itself to them.

The answer was no. They returned to discussing which cleaning company might be responsible for this building. Also the presumed expenses were addressed, as if it were a business meeting. After some more practical remarks, they ran out of topics and the babble died down. 

The group shuffled on, leaving me with an entirely different perspective on my hometown’s skyline; Inasmuch as the Italian and Frenchman would picture the world through the artist’s eye, these women have mastered the art of looking through the Dutch eye. 

In five minutes, this group of household women reminded me of a world view I had almost forgotten, but which is intractably inherent to my Dutch ethnicity; First comes practical functionality. And after that, if there’s time, daydreaming and romanticizing is allowed. 

However, an inevitable wisdom hides within this practical philosophy. Although the women were staring a little blind on the methods of cleaning, expenses and city facts, they denuded something of undeniable value: that maintaining things may not always be aesthetic and exciting, and sometimes even boring and dull, but surely unmissable.

Indeed, the magnificent building would look dreadful without adequate cleaning and maintenance. The breathtaking panorama wouldn’t even be visible, simply because of unwashed windows.

The Dutch Eye also applies to other areas of life. When not maintained attentively, the brightest flower would die, the most romantic love relationship would dissolve, and the dearest friendship would fade out.

© Stefan Hoekstra/The Social Writer, 2020. Unauthorized use/and or duplication of this material without express and written permission from the site’s author and/or owner is strictly prohibited. Excerpts and links may be used, provided that full name and clear credit is given to Stefan Hoekstra and The Social Writer with appropriate and specific direction to the original content.     

Two People, One Plane Ticket: An Airport Story

Airports, train and bus stations have in common something peculiar. In these very places, thousands of family members, loving couples and good friends say farewell to each other every day. Sometimes they leave for just a few weeks, but sometimes for an undetermined stretch of time. Some can hardly suppress their emotions and burst into tears, while others shake each others’ hands formally, when the moment is there. In airports in particular, the goodbye has quite a definitive connotation, as aircraft possess the impressive force to increase the margin between two people to thousands of kilometers within a short span of time. 

Especially for border-transcending love, the airport can be an incredibly cruel place. While seeking busily for the right departure hall, a wry feeling of contradiction is slowly taking hold of those who are unwillfully divided by distance or bureaucracy. At the airport, the painful separation feels like a sentence which, moreover, also needs to be executed merely by oneself. It’s an act of self-harm in its purest sense. Unlike a train or bus which drives away irreversibly, the airport separation is done by walking into a restricted area yourself. Simple as that. No dramatic train chasing scene. And for those who haven’t chosen to be apart, the moment comes always a little too early. 

Two souls, one ticket. They’re aware that sooner or later after finding the appointed entrance, they will be disunited. Only one half of the companionship will go, and the other will stay, because the robotic gate refuses anyone without a valid plane ticket. No exceptions are made for sticky love birds. Soon, they will be isolated from each others’ warmth and words. Closeness exchanged for sombre separate compartments of the airport. The automatized doors at the end of a brightly illuminated hall symbolize the unrelenting line between tender closeness and a haunting absence. This clinical environment is the last possibility for a series of tight cuddles and other outings of affection. But on an unspecified moment, it’s reluctantly decided that it’s time to let go. 

Meanwhile walking away, the face of your loved one then slowly disappears amidst crowds of hurrying passengers. Eye contact becomes harder with every step onwards. Non verbal messages are sent to and fro, or whenever the masses allow it. A hopeful smile is directly followed by tears of sadness. 

Stringent border guards show no sign of compassion. On this stage, they don’t even allow a brief hug anymore. They simply enforce the rules, and instruct the confused loved ones to place their items in the right bin. Generally, the fluids are in the wrong sachet with zipper, and because of some change in a pocket, the metal detector suspects a potential hijacker.  

The growing sense of the approaching separation makes every glimpse of each other more lifelike than can ever be compensated by the most advanced ways of communication. Eye contact continues uninterruptedly until it becomes nearly impossible. And then, the frightening automatized doors shut for the very last time. Permanently. 

The by now so familiar feelings of intimacy and adjacency, make way for a prompt feeling of disenchantment and numbness. It penetrates into the consciousness in the form of heavy doubts regarding the decision to say farewell. 

Entirely unjust this is not; all kinds of uncertainties may diminish the chance of a quick reunion. Indeed, through the eyes of the one left behind, the airplane is a flying fuel tank, which will tear through extreme weather conditions at the speed of nine-hundred kilometers an hour, on an altitude of about eleven kilometers. A summary that doesn’t inflict much confidence in terms of safety.  

An ordinary sounding announcement on an enormous screen in the hall then declares that the plane in question had departed seconds ago. Upon this, all the available images of all imaginable disasters pass by in the thoughts of the poor straggler. Intense fear overrules all the successful flights and the minimal statistical chance of such a disastrous occurrence. 

Slightly paranoid pictures of a destructive collision between some unattentive geese and the jet engines, or of a mentally unstable co-pilot who decides to steer the aircraft straight into the earth, constantly besiege the mind of the powerless left-behind loved one. Fierce panic attacks are not ruled out. 

Such imaginations continue to persist stubbornly, until the flight control center of the designated airfield announces that flight number BT451 had arrived according to schedule. Merely two hours after taking off, the beforehand so doomed projectile is safely on the ground once again. A grand but short relief for both, afore emotions of a different kind start taking over.

Together in the morning, alone in the afternoon, or conversely. The first hours after the farewell, often in a bus or train homewards, are characterized by a heartbreaking feeling, followed by an endless emptiness. Undiminished contact with your loved one continues on the phone, on which messages of affection and missing carry the ambitious goal to fulfil the void that had appeared. But communication which was previously transmitted through all senses, is now reduced to only a small typepad. It’s just not the same.

Kissing, an utmost delicate and gentle action between two persons. Lips, made of flesh and skin, are now replaced by yellow bald faces without clearly defined gender, who spit out a modest heart. They can be found in a side cabinet of the virtual typepad on modern phones, and can be given out unlimitedly. Still, it is all insufficient to maintain the complex, familiar conversations like before.   

For a moment, the brightly lit train homewards is an unsparing and confronting place. And surrounding you, passengers are occupied by their daily worries, without having any insight into the tormenting affliction you underwent barely two hours ago. Expressing a serious countenance, the other passengers appear to be sheer indifferent towards the invisible wounds. They are focussed chiefly on their smartphones, laptops or tablets.  Hours ago, when they were presumably still attending hideous meetings in the office, the poor loved one was still in a far away land, happily united with his or her dear one. 

The coming time will be characterized by an uneasy feeling. As fast as the aircraft had departed earlier on, as wretchedly slow the first signs of recovery and reconciliation regarding each other’s excruciating absence will unfold in the weeks to come.

Nevertheless, places like an airport have a paradoxical meaning for international love. On one hand, the sterile departure hall functions as a metaphorical torture room, consisting of clinical white walls, automatized doors and hermetically closed security passages and strict employees. 

On the other hand, the arrivals hall fulfills the conciliatory role of of reuniting loved ones after a long divide. Impatient individuals, carrying a bouquet or a written name sign push each other away at the irregularly opening doors. As if it were a factory functioning on full speed, love birds appear from the production line, to be wholeheartedly embraced by their significant others. This time, crying tears of joy. With this, the intense missing might be numbed for some time, until the inevitable separation presents itself again in the near future. A pattern that should ideally not occur too regularly over a brief period of time. 

This story was written in 2018, originally in Dutch. This is an expanded version in English, with additional details.

© Stefan Hoekstra/The Social Writer, 2020. Unauthorized use/and or duplication of this material without express and written permission from the site’s author and/or owner is strictly prohibited. Excerpts and links may be used, provided that full name and clear credit is given to Stefan Hoekstra and The Social Writer with appropriate and specific direction to the original content.     

Mocking Day

It’s the end of the year. For myself, this also means that soon another year of my life will come to a close. In a few weeks, I hope to reach the significant age of twenty-eight years.

It’s the ideal moment for friends and family to tease me with relentless jokes about the increase of my life-span. As though ageing were avertible, and I simply failed in staying young. 

Every year, they congratulate me sincerely, but secretly can’t wait to start bullying innocently; ‘Ha, almost thirty, grandpa!’, ‘Say, are those grey hairs?’ But some take it to an earnest level and still expect a sensible answer; ‘So how does it feel to be kind of old?’

As a consequence, the cheerfulness connected to birthdays might now be circumscribed with a rather cheerless edge. Just another year older. A year further away from my highly praised youth. 

Fundamental to these rather arbitrary jokes, lies the more serious implication that ageing after roughly the age of twenty-five is equal to downright regression. Although birthdays are genuinely a celebration, they are inasmuch as likely to become shrouded under a layer of sadness. With each consecutive year onwards, the birthday celebration is experienced more and more as a burden. An unwanted formality to be avoided when possible.  

Over the years, birthday parties consist majorly out of mocking and teasing the defenceless birthday boy or girl. Adherents sharply point out the unpleasant aspects of ageing, using a dark sense of humour. Which may though, on itself, be quite harmless and even disarming; ‘How’s the retirement home application going?’

But amidst all the comicality, people forget to celebrate something valuable: the survival of another year of existence. Surrounded by true hazards, a life full of realistic dangers, which uninterruptedly threaten our vulnerable and humble human existence.  Misfortune is lurking around every corner.

There are plenty of reminders that disaster can strike at will. Frequently, we are confronted with news reports saying that a contagious epidemic had nearly wiped out an entire village. That a merciless tsunami had taken the lives of hundreds or perhaps thousands of people. Or, that an unlucky young fellow died, after a brook fell on his head while cycling. And way too often, news travels to us about the incurable illness of someone we know.

Considering these gritty statistics, I perceive it to be rather miraculous to soon have survived almost three decades on this planet. Twenty-eight years. Many of us weren’t that fortunate. 

© Stefan Hoekstra/The Social Writer, 2019. Unauthorized use/and or duplication of this material without express and written permission from the site’s author and/or owner is strictly prohibited. Excerpts and links may be used, provided that full name and clear credit is given to Stefan Hoekstra and The Social Writer with appropriate and specific direction to the original content.

Sunday/Zondag

Scroll down for the version in Dutch.

A night in front of the television, a weekday off, or perhaps a well deserved weekend at the beach or in the woods. Nothing on your mind, a moment for yourself. These might be the most characteristic remarks of the moment. And they’re worrying too, for they denude a logic wherein moments of rest are unnecessarily confused with laziness, hence a feeling of guilt. In this contrast, Sundays are a very welcome exception. 

Popular subtexts, alongside vacation pictures on social media intended to pun colleagues at office, often imply that a moment of rest needs to be deserved in some way. Only after an undefined period of consecutive labour, a week of rest is seen as ‘well-deserved’. According to this logic, it’s a misconception that those, who are temporarily or permanently outside the labour market would be reluctant towards work, or perceive their situation as ‘easy’. Nonetheless, also their hard working counterparts, fortunate enough to enjoy a successful career, wouldn’t be able to escape it. Also they experience a likewise state of restlessness, just like a truant who cannot gratify his obtained freedom in a worriless way. 

To focus a little closer on the described phenomenon, imagine yourself the main character in the following story.

It’s an ordinary wednesday morning, somewhere in february. Outside, it is chilly and unpleasant. Fierce rain is battering the windows relentlessly. The sun won’t show itself today, that much is certain. Around six o’clock in the morning, most citizens are starting to pave their way to their job places. From students to construction workers, they all share a collective goal; being on time. Rush hour, generally between eight and nine, makes account for the climax of this hasty scene. 

Even with windows firmly closed, the awakening of society is well hearable. A continuous background noise, coming from heavy traffic on a nearby motorway completes the abundance of sounds. Some people take the public transport. Other, less fortunate souls are hurrying by car, only to subsequently merge into a sluggish traffic jam. Children biking to school have to endure a harsh headwind while cycling for thirty minutes. Experience teaches that the same wind turns one-hundred-and-eighty degrees, just to make the ride homewards similarly unpleasant. 

It’s little before ten o’clock in the morning, the crowded bustling in the streets had somewhat lessened, after which calmness is slowly returning. Intersections are accessible once again, and the traffic jams are gently dissolving. The frequency of bus services is temporarily bisected. For about eight hours, the streets are subject to relative tranquility, until all the turmoil will commence anew in the evening. This time, all sharing the collective goal to be home on time, while food deliveries are roaming the streets.

But you didn’t notice anything of all this hassle. All this time, you were tucked away in a warm bed. Only now, you’re stumbling towards the kitchen to silence the unbearable hunger which is tormenting you. Without a clear reason, you return to bed a few times. A little surly, you’re mumbling sleepily something which sounds like ‘’what are they all doing that for..’’

Normally speaking, today’s agenda would be filled with appointments and meetings, but now there are no such obligations. While you just started brushing your teeth around noon, corporations around the corner already made deals worth millions. Elsewhere in the city, numerous students have had their first lectures. You’re well-aware of that. And despite their misery around daybreak, they’re at least exculpated from agonizing feelings of guilt. Indeed, it is not fair that others sacrifice their morning to keep economy running. The reasoning goes that another employee needs to work twice as hard, just to make up for your absence today.

Holding a cup of tea in your hand, you plunge into a comfortable chair next to the window, with a view over the adjoining street. Loud street workers are reminders that the working day is in full progress. The poor souls that are your colleagues weren’t refrained from the relentless downpours this morning, and are now drying up during a spine chilling meeting about the marketing strategies for the coming months. In spite of being exempted from all this dread, there are nonetheless mixed feelings. In an attempt to escape them, it is wishful to undertake something productive. Anything.

The apartment had been thoroughly cleaned just days beforehand. Only yesterday, it was vacuumed. But even so, it doesn’t retain you from doing another round around the living room, for unused time seems to be lost time. The lazy moment in front of the window didn’t last long. Merely seconds later, you open the laptop, to catch up on some overdue work. By doing this, the pressing feeling of uselessness is upheaved. Yet, another rare and valuable moment of peace had dissolved into oblivion. 

How often do you hear people say; ‘now I should really start doing something’. What’s the origin of this pushy remark? The feeling of guilt is one of the thriving forces, fundamental to the success of a capitalistic economy. This unpleasant feeling exists when potentially productive time stays unused. And it can be diminished directly when something is being undertaken, preferably in return for salary or another form of payment. Economically seen, this is a tremendously effective mean. A tortuous feeling of discomfort and dissonance can occur to you on moments which are experienced as inefficient. Activities not seen as productive, add up to this feeling of guilt towards the hard working society. Presumptively, all the others are, as said earlier, working hard to keep economy going. 

Classical sociologist Max Weber finds an explanation in calvinism. This is a variant of protestantism, which is based upon obtaining grace and with this, release from guilt. Working hard is a virtue, and will eventually lead to redemption. Accordingly, you will be granted permission to enter heaven. In other words; as long as you work hard enough, it might enable you to transcend the inevitability of death. In part, it possibly explains why northern economies are amongst the stronger ones globally. But unfortunately enough, it is responsible for an equal or exceeding amount of depressions and sorrows, related to this self inflicted kind of work pressure. 

Also, not everything can be ascribed to receiving a high salary, because ironically, salary has a lower priority than cancelling out the aforementioned feeling of guilt. Most people work much more than is required for basic human needs. The old antecedent of guiltiness – christianity- appeared to be an utmost important mean to sustaining economy, despite having forgotten of its other advantages such as calmness and peace of mind. And that has severe consequences; burn-outs have been topping the charts of prominent psychological issues. 

There are only a few moments during the week, on which it is nowadays allowed to enjoy free time, liberated from the feeling of guiltiness. And that’s also thanks to our religious past: Sunday.

Sunday. This is a day unlike the others. The heavy background noise of traffic in the distance has diminished. Streets are somewhat accessible, and shortly deprived of any noisy street workers. The absence of sound is noticeable everywhere. Just for a brief moment, it appears that economy took some space to breathe. But in contemporary times, the short break is unfortunately only serving the purpose of regaining strength for another week of competitiveness. 

Quite saddening, the break doesn’t serve the genuine gratification of calmness that it deserves, but is merely a recharging moment in disguise, just to be even more competitive afterwards. And to a worrying extent, the soothingness of Sunday is under siege, as the desire for limitless shopping is increasing. After a brief moment of calmness, large grocery stores start opening their gates, to unleash masses of needy consumers who were already impatiently waiting. Frequently throughout the day, big, noisy lorries unload their content to keep the customers fulfilled. The necessary distinction between Sunday and ordinary days is fading slowly. To still find solace on a Sunday afternoon, a getaway to the forest or countryside might be more alluring.  

But moments of genuine rest and reflection which might occur on a calm Sunday are becoming ever more scarce. Henceforth, some are ultimately sentenced to lay down work because of a work related depression as a consequence of our 24/7 economy, still fuelled by feelings of guilt. 

Sociologist Hartmut Rosa explains that acceleration of social processes are responsible for a growing desire to slow down. This is one of the unintended consequences of our endless endeavour toward efficiency and therewith lowering the expenses. People have more time saving technologies than ever before, yet ironically there has never been as little time available, as now. The expansive possibilities to communicate carry with them that labour isn’t limited to merely office hours. Contact between supervisor and employee reach out far into private life. The bounds, keeping apart private life and work, are subject to an increasing vagueness. An innocent message about a prospective meeting or some overdue work is easily sent, and can ostensibly do not much harm.

For most people, monday morning may be the week’s least favourite moment, exactly because just twelve hours earlier, everything was so different. Monday is perhaps comparable to this one colleague who, during the break, cannot wait to start working again. Sunday might be more similar to this one psychologist who emphasises for you to really slow down now. 

This essay was initially written in Dutch, in September 2018. That original article is placed underneath. It has been translated by myself into English in November 2019.

***

Zondag

Een avondje voor de televisie of een doordeweekse snipperdag, of wellicht een welverdiend weekend aan het strand of in de bossen. Even helemaal niks, een moment voor jezelf. Het zijn misschien wel de meest kenmerkende uitspraken van dit moment. En zorgelijk zijn ze ook in bepaalde zin, want ze leggen een logica bloot die essentiële rustmomenten onnodig verwart met luiheid. Zondagen vormen een verademende uitzondering.

Populaire bijschriften wanneer vakantiefoto’s door middel van sociale media worden gedeeld of naar collega’s worden verstuurd, impliceren meestal dat een rustmoment verdiend moet worden. Pas na een ongedefinieerde periode van aaneengesloten werken, is een weekje vakantie ‘welverdiend’. Volgens die logica is het een misvatting dat degenen die tijdelijk of permanent buiten de arbeidsmarkt vallen, onwelwillend tegenover werk zouden staan of hun situatie als gemakkelijk beschouwen. Niettemin zal ook het overgrote deel van de samenleving, de fortuinlijken met een succesvolle carrière, er niet aan ontkomen. Zij ervaren net zo goed de rusteloze gemoedstoestand, zoals een spijbelaar die niet zorgeloos kan genieten van de verkregen vrije tijd.

Het is een doorsnee woensdagochtend, ergens in februari. Buiten is het guur en onaangenaam. IJzig koude regen slaat genadeloos tegen de ramen. De zon zal zich niet laten zien vandaag, zoveel is duidelijk. Rond zes uur in de ochtend beginnen de eerste mensen zich een weg te banen door het vreselijke weer, op weg naar verschillende werkplekken. Van studenten tot bouwvakkers tot ambtenaren, allen hebben ze hetzelfde doel; op tijd zijn. Het spitsuur, meestal tussen acht en negen, vormt het hoogtepunt van dit haastige tafereel.

Zelfs met gesloten ramen is het goed hoorbaar dat de samenleving ontwaakt. Een constant achtergrondgeluid van vrachtverkeer op de omringende snelwegen vult het geheel aan. Sommigen nemen het openbaar vervoer, en minder fortuinlijke zielen haasten zich met de auto om vervolgens deel uit te maken van een schoorvoetende file. Schoolkinderen fietsen een half uur lang met tegenwind naar school. De ervaring leert dat de wind daarna honderdtachtig graden draait, klaar om de terugrit eveneens onaangenaam te maken.

Tegen tien uur in de ochtend is het gedruis en gedrang in de straten wat verminderd en keert de kalmte zachtjes terug. De kruispunten zijn weer enigszins toegankelijk en de ontstane verkeersopstoppingen lossen zich langzaam op. De interval op het schema van stadsbussen en tramlijnen halveert. Ongeveer acht uur lang zal er relatieve rust heersen, totdat alle commotie rond vijf uur opnieuw begint. Ditmaal met het collectieve doel om op tijd thuis te zijn, met de uitzondering dat dan ook haastige (soms opdringerige) bezorgdiensten deel uit maken van de krioelende massa op straat.

Maar van dat alles kreeg jij weinig mee. Je lag al die tijd in een warm bed, en strompelt nu al gapend richting de keuken om de inmiddels ondraaglijke honger te stillen. Zonder goede reden keer je daarna nog enkele keren terug naar bed. Ietwat humeurig mompel je half slaperig iets wat klinkt als; ”waar doen ze dat allemaal toch voor..”

De agenda staat normaal gesproken vol met werkafspraken en vergaderingen, maar dit is een vrije dag. Vandaag hoeft er niks. Terwijl je rond twaalf uur in de middag net de tanden poetst, zijn er in kantoorgebouwen om de hoek al miljoenendeals gesloten, is elders in de stad een nieuwe snelweg voltooid en hebben studenten hun eerste colleges gehad. Daarvan ben je je goed bewust. Maar ondanks de file ellende bij dageraad, zijn zij in ieder geval allemaal vrijgepleit van schuldgevoel. Na een periode van aaneengesloten werken, zou deze vrije dag welverdiend moeten zijn. Maar geleidelijk aan bekruipt je toch een onprettig gevoel. Eigenlijk is het niet eerlijk dat anderen hun ochtend hebben opgeofferd om de economie welvarend te houden. Iemand anders moet nu twee keer zo hard werken om jouw afwezigheid recht te trekken, is de redenering.

Met een kop thee neem je plaats in een luie stoel, met uitzicht over de aangrenzende straat. Luidruchtige straatwerkers herinneren je eraan dat de werkdag nog in volle gang is. Je arme collega’s zijn niet gespaard gebleven door de hevige regenbuien van vanochtend en zitten nu op te drogen in een saaie vergadering over de marketingstrategie voor de komende maanden. Ondanks dat jou dit bespaard blijft, en je zelfs nog een treiterend bericht naar hen stuurt, is er sprake van gemengde gevoelens. Om hieraan te ontkomen, is het wenselijk iets productiefs te ondernemen. De woning is kortgeleden nog grondig schoongemaakt en gisteravond is er nog gestofzuigd. Toch weerhoudt je dit niet van een extra ronde met de stofzuiger, want onbenutte tijd is verloren tijd. Het kalme moment heeft uiteindelijk niet lang geduurd. Slechts enkele momenten later wordt de laptop geopend, om wat achterstallig werk te voltooien. Het prangende gevoel van nutteloosheid is hiermee tijdelijk opgeheven. Niettemin is er wederom een belangrijk rustmoment verloren gegaan.

Hoe vaak hoor je mensen wel niet zeggen; ‘nu moet ik toch echt wat gaan doen’. Maar waar komt deze opdringerige gedachte vandaan? Schuldgevoel is een van de drijvende krachten achter de kapitalistische samenleving. Dit nare gevoel ontstaat wanneer potentieel productieve tijd onbenut blijft. En het kan direct opgeheven worden zodra iets ondernomen wordt, bij voorkeur tegen betaling of salaris. Dit is economisch gezien een doeltreffend mechanisme. Een onbehaaglijk gevoel van dissonantie kan zich manifesteren op momenten die als inefficiënt worden ervaren. Activiteiten die als onproductief worden gezien dragen bij aan dit vervelende gevoel van schuld tegenover de hardwerkende maatschappij. Alle anderen offeren immers hun vrije tijd op om de economie draaiende te houden.

De klassieke socioloog Max Weber legt de oorzaak ervan grotendeels bij een economische implementatie van het calvinisme. Een religieuze stroming die grotendeels gebaseerd is op het verkrijgen van vergiffenis en daarmee op het gevoel van schuld. Als je maar hard genoeg werkt word je door God vergeven, en op die manier verkrijg je toegang tot de hemel. Met andere woorden: het zorgt ervoor dat je de onvermijdelijkheid van de dood misschien beter kunt verdragen als je maar hard genoeg werkt. Dat verklaart wellicht waarom noordelijke landen een overwegend en relatief sterkere economie hebben. Maar onfortuinlijk genoeg een evenredig of overstijgend aantal depressies en klachten gerelateerd aan deze zelf opgelegde werkdruk.

Ironisch genoeg heeft salaris in deze zin een lagere prioriteit dan het opheffen van dit schuldgevoel. Velen werken immers (veel) meer dan nodig is voor een aangename levensstandaard en de menselijke basisbehoeften. De oude drijfveer van schuldgevoel, het christendom, blijkt een uiterst doeltreffend middel voor de Nederlandse economie, ondanks dat we haar andere belangrijke voordelen zoals kalmte en structuur zijn vergeten. En dat heeft gevolgen.

Er zijn maar een paar momenten in de week waarop het tegenwoordig mogelijk is om in harmonie met je gevoelens te genieten van vrije tijd. En ook die hebben we te danken aan ons religieuze verleden. Zondag. Dit is geen vrije dag zoals alle andere. De achtergrondruis van vrachtverkeer is sterk afgenomen. Straten zijn voor korte tijd verlost van rumoerige constructiewerkers (met uitzondering van sommige fanatieke doe-het-zelvers, die het de perfecte dag vinden voor het uitproberen van nieuw oorverdovend gereedschap.)

Kalmte dient zich nu aan in de vorm van stilte, die overal merkbaar is. Het constante gebrul van de snelweg is absent en de straten zijn enigszins begaanbaar. De afwezigheid van geluid is overal hoorbaar. Voor even lijkt het alsof de doorrazende economie een broodnodige adempauze heeft ingelast. Maar de korte onderbreking dient helaas vooral om zich weer op te laden voor een nieuwe week competitie van concurrerende economieën, en jammerlijk genoeg in mindere mate om oprecht de waarde van kalmte te ervaren. Het is geen feitelijke verlangzaming, maar een verhulde adempauze die dient om daarna nóg productiever te worden. Sommigen worden door hieruit voortkomende tekenen van depressie veroordeeld tot het neerleggen van werk, zoals bij een burn-out.

Volgens socioloog Hartmut Rosa zorgt de acceleratie van maatschappelijke processen voor een toenemend verlangen naar perioden van verlangzaming. Dit is een van de onbedoelde gevolgen van het eindeloze streven naar efficiëntie en daarmee kostenbesparing. De mens heeft meer tijdbesparende technologieën dan ooit tevoren, toch werd er nooit zoveel tijdgebrek ervaren als nu. De vele mogelijkheden tot communicatie brengen met zich mee dat de arbeidsethos zich niet meer beperkt tot kantoortijden. Contactmomenten tussen leidinggevende en werknemer reiken tot diep in het privéleven. De vervaging van de grens tussen privé en werk is al enige tijd onderweg. Een onschuldig berichtje over een vergadering of achterstallig werk is immers snel en makkelijk, en kan (ogenschijnlijk) weinig kwaad.

Maandagochtend is voor velen het minst favoriete moment van de week, juist omdat het slechts een etmaal terug allemaal zo anders was. Maandag heeft de ondankbare taak om de economische pauze tot een abrupt einde te brengen. Wellicht is Maandag vergelijkbaar met die ene over-enthousiaste collega die tijdens de lunchpauze het werk niet snel genoeg weer op kan pakken. Zondag toont wellicht meer gelijkenis met die ene psycholoog die nog eens extra benadrukt dat je het toch echt wat rustiger aan moet gaan doen.

© Stefan Hoekstra/The Social Writer, 2019. Unauthorized use/and or duplication of this material without express and written permission from the site’s author and/or owner is strictly prohibited. Excerpts and links may be used, provided that full name and clear credit is given to Stefan Hoekstra and The Social Writer with appropriate and specific direction to the original content.

Insights in Sofia

We had walked half the city to ultimately arrive at one of Sofia’s most prominent buildings; a grand orthodox church. Upon witnessing the mighty structure, my respiration stifled slightly. Its tremendous golden roof caught our attention at once. The surroundings consisted of a newly asphalted large parking lot, so we needed to criss cross through an abundance of cars before finally reaching the entrance.

Shortly after entering, we sat down on a wooden bench and sighed. For some time, we witnessed the ongoing rituals until I got drawn into some sort of reverie. Of a sudden and without being fully aware of it, the following phrase escaped my mouth;

“I’m feeling nostalgia for times in which I never lived.”

The comment awoke a curious look in my girlfriend’s eyes. She instantly nodded in an understanding way, confirming the recognizability of my remark. Somehow or another, it made sense. I desperately wanted to be, even for just a day, living in the times that this church reflects.

Untraceably, this thought surfaced somewhere in my consciousness, coming from the unknown depths of my psyche. Precisely at the moment when the main priest went around the hall to spread around incense smoke, I felt an abundance of unexplainable melancholy, hence the need to inform my girlfriend. I suspect it was the scent which triggered it. 

Either way, it was just a matter of time before such melancholy would strike me, as lately I find myself drawn more and more towards ancient places. In particular old churches and cathedrals, regardless of the religious stream they might embody. Whenever the door is ajar, I aim to slip inside and enjoy its tranquility and order. For me as being not officially religious, such places are beginning to fulfill a more transcending role against modern difficulties. It’s most certain that the value of old churches is not restricted to merely tourists or the religious. 

Imposing environments like these feel growingly like a safe haven, a sanctuary as it were. A place with a low pace. The origin of this feeling seemed disguised and hidden deeply in an ancestral past. It presented itself in a fierce longing for the centuries far before I was introduced to this world. As if I were accidentally born in the wrong times. 

From the wooden bench, we observe the authentic, magnificent columns and impressively decorated ceilings. We witness the simplicity of a priest taking his time to light candles for the remembered and the forgotten, while the low soothing voices of a male chorus echo gently throughout the hall. Visitors, on the other hand, remain silent. Distracting gadgets are seen only sporadically. Every visitor, tourist or local, appears to be well aware of the unspoken commandment in such places and respect them. 

Altogether, the patient and attentive atmosphere infatuated a strong desire for an unknown but desirable past. One beyond the recordings of my memories. It all reminds me of a life I would probably never live. Anyway, it would be sheer impossible during my brief but already stressful and competitive existence. Surely it’s something I (and maybe others) lack of nowadays. 

The serene ambience of these places exposes painfully precise what we have been neglecting in modern societies. Retreats in this form have become a rarity, but are ironically needed more than ever. Over the years, spirituality, calmness and moralism became increasingly replaced by overconsumption and demoralisation. 

Simultaneously, the warmth and inclusiveness that might have existed in the centuries prior to ours, had vanished over the years. Caught up in the obsession of economic development, we have left behind a valuable past and have forgotten some of its advantages along the way. We have simply thrown away the baby with the bathwater. Luckily, some old churches and cathedrals have withstood the test of time, to show us it wasn’t always like this. In the weakly lit halls of ancient churches, the neverending fixation on work and consumption is outweighed by human kindness and patience.

In this sense, priests and clerics fulfil an essential role. They demonstrate to us the necessary attitude when it comes to downshifting from a fast and chaotic towards calm and orderly mindset. For instance, taking the time to light two-hundred candles in remembrance of the dead, is a lengthy ritual. Nonetheless it is likely to be one out of few daily tasks to be fulfilled by this holy man. The devotion given to merely one task simply doesn’t merge with the contemporary lifestyle anymore. In contrast to these disciplined priests, our daily tasks have multiplied endlessly, but the devotion (or possibility) to finish them has weakened.

Today, numerous social contacts are expected to be maintained, next to functioning flexibly and eagerly at work. Essential life aspects have been transferred to the online world. But this is a world without clear limits and borders. And most of all, an unstoppable world that constrains time and pushes it far beyond the limits of our mental and physical abilities. Eventually, this unframed way of living is often halted by what we call a burn out. Likewise, spirituality and devotion have lessened, as they became subject to the hastiness of our time consuming society. 

It might, from this perspective, be pleasant to daydream of the times we have missed out on. Even if the picture is not quite accurate in our fantasies. Old buildings like a cathedral appeared the ideal practising grounds to do so. To deprive yourself from technological gadgets and step into a hall of calmness, dreamily depicting the lives of people before highly developed technology. When spirituality was more apparent. Times when sorrows were diminished by prayers and philosophy instead of prescribing pills. When the world’s population was far under a billion, while borders and bureaucracy were absent for the most part. Things were yet a little more undetermined. 

Amidst the chaotic and unorderly world of today, old and dusty churches can make you feel serene, and offer solace. Yet, castles or other ancient places might provoke similar mental refreshment. I hope that these sanctuaries of existential guidance will withhold far into our doubtful future. For everyone. Not as a beacon of religious divide, but as a modest hideaway from our evermore accelerating society.

© Stefan Hoekstra/The Social Writer, 2019. Unauthorized use/and or duplication of this material without express and written permission from the site’s author and/or owner is strictly prohibited. Excerpts and links may be used, provided that full name and clear credit is given to Stefan Hoekstra and The Social Writer with appropriate and specific direction to the original content.

Afscheidsplaatsen

Luchthavens, trein- en busstations hebben iets eigenaardigs gemeen. Duizenden familieleden, geliefden en goede vrienden nemen er dagelijks afscheid van elkaar. Soms voor een paar weken, soms voor onbepaalde tijd. Sommigen kunnen de tranen nauwelijks bedwingen en anderen schudden elkaar zakelijk de hand, wanneer het moment daar is.

Op luchthavens in het specifiek, heeft het afscheid doorgaans een definitief karakter. Vliegtuigen hebben immers het indrukwekkende vermogen om de marge tussen twee zielen in korte tijd te vergroten tot duizenden kilometers, terwijl vliegtuigmedewerkers je loten proberen te verkopen van dubieuze buitenlandse kansspelen.

Voor geliefden in het bijzonder is de luchthaven een wrede plek. Al druk zoekend naar de juiste vertrekhal bekruipt hen een wrang gevoel van tegenstrijdigheid. Het pijnlijke loslaten voelt namelijk als een vonnis, dat ook nog eigenhandig voltrokken moet worden. Snel na aankomst zullen zij zich in aparte ruimten bevinden. De automatische deuren aan het eind van een fel belichte vertrekhal symboliseren de onverbiddelijke grens tussen distantie en nabijheid. Deze klinische omgeving is de laatste plaats voor een reeks omhelzingen en andere uitingen van affectie.

Op een ongespecificeerd moment wordt besloten dat het tijd is om te vertrekken. Tijdens het weglopen verdwijnt het gezicht van je geliefde dan langzaam tussen massa’s haastige reizigers. Oogcontact met elkaar wordt steeds moeilijker. Streng toekijkende douanebeambten geven geen blijk van geen mededogen. Op dit punt laten ze zelfs een korte omhelzing niet meer toe. Zij hanteren zorgvuldig de regels, en manen de afgeleide afscheidnemers hun attributen in de juiste bak te plaatsen. Want de vloeibare middelen zitten doorgaans in het verkeerde type plastic zakje met zipsluiting, en door wat overgebleven muntgeld in de broekzak ziet de metaaldetector je als een potentiële vliegtuigkaper.

Maar het groeiende idee van de aanstaande distantie tussen beiden maakt elke kortstondige glimp van je beminde levensechter dan het meest geavanceerde communicatiemiddel kan compenseren. Onafgebroken oogcontact zet zich voort totdat het simpelweg niet meer mogelijk is, en de geautomatiseerde deuren onherroepelijk dichtvallen.

De inmiddels zo vertrouwde gevoelens van genegenheid en geborgenheid maken abrupt plaats voor desillusie en verdoving. Dit dringt tot het bewustzijn door in de vorm van hevige twijfels over de juistheid omtrent de beslissing van dit vaarwel.

Helemaal onterecht is dit niet; allerlei onzekere factoren beïnvloeden de kans op een (snel) weerzien. Vanuit het perspectief van de geliefde is het transportmiddel immers een vliegende kerosinetank, die met ruim negenhonderd kilometer per uur, op elf kilometer hoogte, door extreme weersomstandigheden zal razen. Een opsomming die weinig vertrouwen ontlokt.

Een droge mededeling op een enorm scherm in de hal duidt vervolgens aan dat het betreffende vliegtuig is opgestegen. Niet alle duizenden probleemloze vluchten, maar juist de dramatische beelden van mogelijke rampscenario’s treden direct op de voorgrond bij de machteloze achterblijver. Lichtelijk paranoïde beelden van een allesvernietigende confrontatie tussen de straalmotoren en wat onoplettende ganzen, of van een mentaal instabiele copiloot die het vliegtuig de grond injaagt, passeren met regelmaat de gedachten. Paniekaanvallen zijn niet uitgesloten.

Dergelijke voorstellingen houden stug aan totdat de verkeerstoren de ontnuchterend zakelijke melding maakt dat vluchtnummer BT451 volgens dienstregeling is aangekomen. Amper twee uur na het opstijgen staat het vooraf zo gedoemde projectiel weer veilig aan de grond.

In de ochtend samen, in de middag alleen, of andersom. In de eerste uren na het afscheid, meestal in de trein of bus, volgt een hartverscheurend gevoel van eindeloze leegte. Het contact met je geliefde gaat onverminderd door op de smartphone, waarbij berichten van affectie en gemis het ambitieuze doel hebben die leegte op te vullen. Maar de communicatie die eerder nog via alle zintuigen verliep, is nu gereduceerd tot een vakje waarin tekst geschreven kan worden.

Zoenen, een uiterst delicate en zachtaardige handeling tussen twee personen. Lippen van vlees en bloed, zijn nu vervangen door oncharmante kale, gele gezichtjes zonder geslacht of duidelijke etniciteit die een hartje uitspuwen. Ze zijn te vinden in een zijvakje van het virtuele toetsenbord op je telefoon en kunnen ongelimiteerd worden uitgegeven. Maar het is allemaal ontoereikend voor het voeren van de complexe, vertrouwde gesprekken zoals voorheen.

De fel verlichte trein is voor even een onverbiddelijke en confronterende omgeving. Om je heen zijn mensen druk met alledaagse bezigheden, zonder enig inzicht te hebben in de kwellende pijniging die je net bent ondergaan. Serieus ogende medepassagiers verhouden zich onverschillig ten opzichte van jouw onzichtbare wonden. Ze richten zich bijna onafgebroken op hun telefoon, laptop of tablet.

Uren geleden, toen zij nog in tenenkrommende werkbesprekingen zaten, bevond de arme afscheidnemer zich nog op vreemde bodem, verenigd met zijn of haar dierbare. De komende weken kenmerken zich door een onwennig gevoel. Zo snel als het vliegtuig de separatie vermenigvuldigde, zo tergend langzaam ontvouwen zich de eerste vage tekenen van berusting met de vretende absentie van je geliefde.

Plekken zoals een luchthaven hebben een paradoxale betekenis voor grensoverschrijdende liefde. Enerzijds functioneert de steriele ambiance van de vertrekhal als spreekwoordelijke martelkamer van het vliegveld, met haar klinisch witte muren, dichtklappende deuren en hermetisch afgesloten controleruimte met strenge medewerkers.

Daarentegen vervult de aankomsthal de genoeglijke rol van hereniging. Ongeduldig ogende individuen met bloemen of een naambordje verdringen elkaar bij de onregelmatig openslaande deuren. Alsof het een fabriek is die op volle toeren draait, rollen de gearriveerde geliefden van de productielijn. Het gemis is hiermee voor de komende tijd wellicht gedempt, totdat het schrijnende afscheid zich in de nabije toekomst wederom zal aandienen. Een patroon dat zich in een kort tijdsbestek maar beter niet te veel kan herhalen.

© Stefan Hoekstra/The Social Writer, 2019. Unauthorized use/and or duplication of this material without express and written permission from the site’s author and/or owner is strictly prohibited. Excerpts and links may be used, provided that full name and clear credit is given to Stefan Hoekstra and The Social Writer with appropriate and specific direction to the original content.

Lidia’s Wisdom

Babushka Lidia is a woman of extraordinary strength. At the imposing age of eighty-two, she lives a physically intense life in a wooden cottage, some twenty kilometers away from the closest city. Apart from the occasional resupply by family, she is largely self sufficient. Whenever I’m residing temporarily in Russia, a visit to this admirable woman guarantees to become a highlight. This piece of writing is a devotion to her and many other brave elderly.

With three delicate kisses on the cheeks and a tight yet gentle hug, Babushka Lidia ensured me a pleasant farewell. It meant saying an indefinite goodbye to a very remarkable person. After reassuring her of our return, I tumbled down the small stairs and found myself in the characteristic living room. Its low ceiling (confirmed by a fierce headache) and squeaking floor supplied me with a last warm, cozy embrace. 

As we walked across the yard towards the adjoining dirt road, Lidia peeked out of the window once more, with a soothing smile. A glance of reconciliation. Upon embarking the car, we waved back and set off. Within moments, Lidia was out of view. And so was her tiny, two floor cottage. Or, as it is called in Russia; her Datcha. The weakly illuminated window of it, reduced swiftly into a modest dot in the darkness. 

Just a stroll away from this fairy tale place, lies a dense forest full of tall pine trees. Pointy treetops outline the horizon. This captivating panorama reaches out far into the distance. The house is encircled by a stretch of cultivated land, wherein Lidia grows potatoes, tomatoes, peppers, paprika, cucumbers, zucchini and so on. Often, her skillful and persistent way of farming leads to a surplus of food. She then calls out for family to pick up some of her harvest. For us back in the city, her insurmountable production levels generally lead to another week of zucchini and potatoes for dinner.

Every summer, Lidia can be found here, shovelling land and practicing other kinds of complicated agricultural labour (of which I don’t possess the slightest knowledge). All the desperate attempts of family to re-establish her into her city apartment were unsuccessful. Only in the relentless Russian winter, when snow and ice begin to obstruct the farming, she relocates reluctantly to the city, just to return the very next spring. 

Lidia was a child during WWII. And in her turbulent youth, she fell into the hands of the Germans and was banished to a labour camp. And so were her sisters and parents. She had told us that at times, there were not much more than a few crumbs of bread to eat. This bitter epoch of scarcity lasted until far after wartime. Oftentimes, she was expected to overcome about twenty kilometers on foot towards the nearest settlement, in order to obtain a negligible amount of groceries. If any groceries at all. 

On the worst of days, she returned home empty handed. Besides, the journey was not without hazards, as it crossed dense forests covered in snow, inhabited by bears and wolves. And if that is not enough, the temperatures during those risky ventures dropped regularly to far below zero. Additionally it’s worth mentioning that her shoes, if you could call them so, were made of plain cardboard. 

In the subsequent decades of her life, she worked, as many women did during soviet times, in an enormous plant. As chief of the factory kitchen, she had thousands of hungry labourer’s mouths to feed. Perhaps it’s a plausible explanation for her superb farming productivity nowadays. Over ten years ago, she lost her beloved husband. They had been married for over fifty years. Lidia has been grieving ever since.

To this day, she misses him undiminished. In speech and ritually, she pays homage to him. More recently, Lidia had suffered from a variety of cardiovascular problems, for which she underwent multiple surgeries. And the list of alike intriguing life events continues endlessly. Nevertheless, it couldn’t withhold her from residing in the cottage once again, irrigating plants and shovelling land with a fulfilled smile on her face.  

When trying to understand her life’s narrative, the significance of it becomes evident. She overcame miseries, nearly incomprehensible for youngsters like me. During a pleasantly melancholic conversation with her, it struck me that, as I looked into her dark green eyes, I was looking into a bittersweet past. Lidia had felt and seen anything that induces anyone with loads of anxiety.

During the lengthy talk with her, I promptly realized something peculiar. The curious eyes I was making contact with, stood once face to face with German camp wardens. Next to this, intense surgeries, grieving over the dead, thirty years of working in a factory, starvation and numerous other sorts of dismay bashed upon her life. To the same extent however, she had felt affection and tenderness. Either from a loving family, children or a good husband. Henceforth, her family’s astonishing solicitude still keeps her warm in times of distress, like a thick blanket during the harshest Russian winters. 

Considering this, I reckon that being in Lidia’s proximity offered me some sort of immunity against any problem, even though I’m nearly twice as tall and still have my teeth. Her carefree expression made me feel safe from harm. Her impregnable wisdom and persistence instilled me with loads of consolation. Without a doubt, I felt protected by this eighty-two-year-old woman.

It felt as if her eventful past reduces the anxiety about the uncertainties of my future. There will be difficulties, tragedies, grief and the occasional headache. But to a similar extent, moments of beauty, growth and love will present themselves. What matters is that you perceive life’s inevitable stages with gratitude. And later on, like Lidia, with a healthy dose of melancholy. Preferably when harvesting potatoes from the meadows, accompanied by an unconcerned but wise smile on your face. 

Lidia’s contentment contradicts profoundly with the busy lives some contemporary people chase. Millennials, for example, need to do skydiving, visit the Bahamas, do an Arctic expedition, climb the career ladder before there’s no more time. Or visit all the countries in the world, and simultaneously maintain a glorious love life. All before the interlude of life’s final phase. It’s likely that these ambitions are born out of pure fear for mortality, rather than unfolding from a genuine, congruent desire to accomplish them. 

Some want to complete this list of accomplishments before it’s all over. ‘You only live once’ is a popular philosophy, which is, of course, undeniably true. You do live only once. Nonetheless it contains a counterproductive element. Its definition emphasizes unwittingly the things we haven’t done or experienced in our brief existence, rather than cherishing and gratifying life’s tests we’ve gone through already. 

In an ironical way, it’s chiefly the elderly people like Lidia, who appear the most serene with the idea of our imminent mortality. For they are already soberly familiar with life’s misfortune and its sorrows. Lidia and many other elderly prove that it’s important to grow old solving life’s phases in an accepting way.  Not full of envy or regret about the things we haven’t done or achieved, but content with the suffering and grateful for any granted moments of sublimity. 

There is another, more mind-broadening aspect to be learned from Lidia’s story. It’s quite often discussed theoretically by existentialists such as Viktor Frankl and Irvin Yalom. And more fundamentally by philosophers like Søren Kierkegaard, whose ideas are now anything but outdated. In the finely inverted words of Kierkegaard:

Life can only be understood backwards; but it must be lived forwards

These thinkers underline the correlation between depression and the fear of getting older. This is undoubtedly connected to nowadays obsessive emphasis on youthfulness in Western countries. But also to the aforementioned ‘you only live once’ construction, which actually implies ‘you’re only young once’. Our juvenile time is seen as the worthiest part of life, wherein people are at their best, only to thereafter descend into a long, boring epoch of old age. This alleged long stretch of regression, leaves no room for further development.

In spite of this, talking to Lidia made me envy her calmness and wisdom. Though ambiguously, it denuded my abundance of fear for the unpredictable future too. She has the advantage of being familiar with life’s unavoidable difficulties, while I as a young adult, still need to find ways to transcend them. Harsh lessons are awaiting me. But Lidia’s glance from the small window and her bittersweet stories all instilled me with resilience towards the unforeseeable future. 

Lidia

© Stefan Hoekstra/The Social Writer, 2019. Unauthorized use/and or duplication of this material without express and written permission from the site’s author and/or owner is strictly prohibited. Excerpts and links may be used, provided that full name and clear credit is given to Stefan Hoekstra and The Social Writer with appropriate and specific direction to the original content.

IJzeren Wegen

Er zijn verschillende mogelijkheden om Rusland te doorkruizen. De slaaptrein is daarvan misschien wel de meest bekende. De Transsiberië express, Transmongolië express, Beijingexpress, Transmantsjoerije-express, en de Noord-Korea express. Het zijn allemaal benamingen voor min of meer hetzelfde; jezelf voor een aantal dagen opsluiten in een piepende en krakende cabine, meestal zonder privacy. Het achterliggende idee luidt dat de reis belangrijker is dan de bestemming.

Deze routes worden natuurlijk ook door Russen afgelegd. Vaak maar voor een klein deel. Voor vele Russen is de trein het enige betaalbare vervoersmiddel om bijvoorbeeld familie te bezoeken. Mensen met een dikkere portemonnee, meestal uit westerse landen, hebben echter de mogelijkheid om een pakket te boeken. Dit is inclusief treinkaartjes, visum, hotelovernachting en vliegreis naar Moskou. Daarmee is het een van de weinige treinreizen die niet in de trein begint, maar in het vliegtuig. De redenering dat de reis belangrijker is dan de bestemming, die toch de drijfveer moet zijn voor een reis door het eentonige Russische landschap, wordt voor de gemakkelijkheid maar even vergeten.

Tussenliggende landen zoals Wit-Rusland of Letland zijn daarom slechts kortstondig vanuit het vliegtuigraampje te aanschouwen. Potentieel interessante plekken in deze landen drijven dan reddeloos voorbij, terwijl het vliegtuig met hoge snelheid de hoofdstad Moskou nadert. Aldaar zal voor de meeste reizigers met zo’n pakket de échte reis beginnen. Het achterliggende idee dat de reis belangrijker is dan de bestemming, treedt pas in werking in Moskou.

We verveelden ons dood in Nabareznije Chelny. En ik moest zo nodig naar Wolgograd. Vanuit financieel oogpunt was de trein de beste optie om de anderhalf duizend kilometer te overbruggen. Maar we zouden de echte prijs op een andere manier betalen (een gouden regel wanneer iets goedkoop is in Rusland, je betaalt door te lijden.) Het beginpunt van dit traject lag in Perm en eindigt in de buurt van Sochi, een reis van ongeveer tweeduizend kilometer. Zoals gezegd, zouden wij de helft van dit traject meerijden, van Chelny tot Wolgograd.

Op de vroege ochtend van ons vertrek hadden sommige medepassagiers er al een nacht op zitten en ontwaakten al gapend toen wij wat luidruchtig de wagon binnenkwamen. Het is in Rusland heel gebruikelijk voor doorsnee gezinnen om op deze manier op vakantie te gaan. Veelal gaat de reis naar een van de vele toeristische badplaatsen aan de Zwarte Zee.

Want gek genoeg grenst het reusachtige vasteland van Rusland bijna niet aan wateren die voor toerisme geschikt zijn, waardoor alle binnenlandse vakantiegangers aangewezen zijn op dit volgebouwde stukje kust. Veel toeristen komen uit duffe industriesteden zoals Perm of Izhevsk. Ze verruilen daarom hun grijze Sovjet flats in de stad voor grijze Sovjet hotels aan het strand. De heenreis duurt net zoals de terugreis tweeënhalve dag (60 uur). Je moet er wat voor over hebben.

De eerste twee uur op het spoor ben je meestal nog wel opgewekt en enthousiast over de reis. Maar al snel wordt dit minder. En na een tijdje is het moeilijk te geloven dat je ooit op de bestemming aan zult komen. Een paar uur op het spoor hoeft overigens niet te betekenen dat de trein daadwerkelijk gereden heeft. Ongeveer vijftig procent van de tijd staat hij namelijk stil op een verlaten rangeerterrein, zonder duidelijke reden.

Om de verveling aan boord tegen te gaan wordt er gegeten. Daarom brengt bijna iedereen in de cabine een jaarvoorraad aan voedsel mee. Thuis klaargemaakte kippenpoten met gekookte eieren zijn in Rusland het meest populair, wat in onze cabine zorgde voor een interessante geuren combinatie. Om tussen de vette kippenpoten door niet te verhongeren, worden er enorme aantallen zonnebloempitten of gedroogde vis genuttigd, meestal weggespoeld met anderhalf liter bier.

Wie van een treinreis in Rusland een spectaculair noch afwisselend uitzicht verwacht, zit er lichtelijk naast. Het eentonige landschap heeft op sommige momenten zelfs een hallucinerend effect op je perceptie van de werkelijkheid. Na een tijdje kon ik de ontelbare rijen berkenbomen niet meer van elkaar onderscheiden en versmolt het geheel tot één lange boom. En soms lijkt het alsof er een soort 3D poster op het raam geplakt zit. Het draagt allemaal niet bij aan de hoop dat de reis enigszins vordering maakt.

Het is in de slaaptrein een zeldzaamheid wanneer de toilet niet bezet, kapot of verstopt is. Die fungeert immers als spoelkeuken, douche, baby-verschoonplaats, rookruimte, wasserette, ontmoetingsplaats, telefoon-oplaadplaats, afvalbult en kleedkamer. Een uitkomst hiervan is dat na een dag reizen ook de verstopte toilet bijdraagt aan de geuren combinatie in de heter wordende cabine.

Mede door mijn sukkelige Russische taalkennis en lange benen was het voor medepassagiers, en met name kinderen makkelijk om mij te ontmaskeren als westerling. Dit is in Rusland doorgaans problematisch. Door gebrek aan geografische en antropologische kennis zeggen ze dan; ‘’kijk mama! een Amerikaan!’’ omdat ik toevallig Engels sprak.

Vanaf het moment dat die constatering is gemaakt, ben je voor de rest van de reis een attractie. Je hebt dan dezelfde status in rangorde als een Giraffe of Olifant in een dierentuin en krijgt de bijbehorende behandeling. Mijn inlevingsvermogen ten opzichte van circusdieren is aanzienlijk gegroeid.

De nacht in een slaaptrein is, als je geluk hebt, tamelijk onschuldig. Terwijl je wegdommelt in een lichte roes, zijn aankondigingen te horen van compleet onbekende stations. Pas dan doordringt je hoe groot Rusland is. Op vreemde plaatsen stopt de trein dan een half uur of langer, om families met grote boodschappentassen uit te laden. Toch is er één noemenswaardige bedreiging voor een goede nachtrust. En dat heeft alles te maken met een kind dat nog niet zindelijk is, en een potje. Die reizen meestal met een oma, die vervolgens gewend is om op fabriekstijden te ontwaken en het kind aan een zindelijkheidstraining te onderwerpen.

Wanneer het ochtendgloren is aangebroken, is het landschap veranderd van saaie begroeiing naar saaie vlaktes. Geleidelijk aan stijgt de temperatuur in de cabine. Een deel van het traject gaat namelijk dwars door de steppes van Kalmukkië, die ik graag de oven van Rusland zou willen noemen. Temperaturen van rond de vijftig graden zijn er geen zeldzaamheid. En er staan tempels. Opeens verlang ik weer naar die rij mooie groen-witte berkenbomen van weleer, totdat een norse conducteur iets in onze richting schreeuwt. We zijn in Wolgograd aangekomen, na 22 uur. In ons geval was de bestemming belangrijker dan de reis.

Wolgograd was voor ons de eindbestemming. Maar sommige arme zielen waren nu slechts halverwege. Voor het groepje overlevenden van deze erbarmelijke rit wacht een verdiende vakantie aan de Russische variant van de Costa Brava. Maar die dient vooral als mentale voorbereiding op de even lange terugreis. Voor sommige Europeanen is de transsiberië express het ultieme avontuur, voor ons was het bescheiden stukje naar Wolgograd meer dan genoeg.  

© Stefan Hoekstra/The Social Writer, 2019. Unauthorized use/and or duplication of this material without express and written permission from the site’s author and/or owner is strictly prohibited. Excerpts and links may be used, provided that full name and clear credit is given to Stefan Hoekstra and The Social Writer with appropriate and specific direction to the original content.

Ode To The Restroom

Going to a public water closet can be a quirky experience. Not because of the traditional struggles, like a malfunctioning flush, or when running out of toilet paper and all of their shameful outcomes. No, the real thrill comes from an exemplary demonstration of human stubbornness.

If you’d ask me, a fine public restroom is of utmost importance for mental health, and I’m dead serious about it. Next to its primary use, which we hopefully all know, it offers something of grander value. Namely, that it serves as a great retreat, offering some welcomed minutes of solace amidst our stressful lives. A small but fortified space in which you can regain your breath. A pit-stop before rejoining the rat race.

Times change. And so do our water closets. The definition of toilet should therefore be broadened. As our lives got more and more accelerated, there is an increased desire for a room to rest: say hello to the restroom. An upgraded meaning of the word toilet, thanks to the way in which it has enhanced our lives over the past decades.

The restroom proves its effectiveness when trying to escape lengthy meetings in the office (preferably during a brain shrinking question round). And in particular, the unfortunate case of being dragged into a shopping mall or an IKEA for the afternoon. When trying to overcome the excruciating horrors of screeching children and ceaseless announcements, a swift slip into the restroom might enable you to survive. Nothing can interfere this modest moment of serenity. Right?!

As ought to be widely known; most reliable toilets have a functioning lock. This small device fulfills a simple but crucial role, since it’s the barricade between the hostile outside world and your two square meters of tranquility.

So, it’s clarified that the purpose of this device is obviously to lock the door. But more importantly, the essence is to show those waiting in the queue that it’s locked, so that they don’t have to come over and disturb your five minute retreat.

It does so by presenting either a white or red bar/lid. It can be seen from afar. Red, in combination with the door firmly closed, means that it’s occupied. There’s not much sense in trying to enter. The lock makes sure that the poor soul inside won’t be harassed for merely a brief frame of time.

Yet it appears not all that obvious to quite a few fellows. Especially during toilet rush hours, politeness is brushed aside. Those who cannot bear with the waiting, do something typically human. They intervene.

And so, ignoring all the clear visual signs of occupancy, these impatient individuals venture towards the sacred door, hoping that it will magically open. A fierce pull will do the job. They grab the door handle and pull it powerfully, just to find out what they already knew. Indeed, it is confirmed that the door won’t open. Nonetheless, they desperately try to shorten their temporary uphold and conquer the restroom, but are foolishly unaware of this attempt being rather counterproductive.

And to all the smart minds who had the mind-blowing idea to turn the door handle aggressively, attempting to shorten someone else’s pit-stop in favour of themselves: thanks, the effectiveness of the door lock has been proven.

In spite of this, the harmonious calmness inside has been interrupted heavily. It leaves the slightly irritated rest seeker in the cabin no choice, other than to annex his sanitary sanctuary a little longer. He decides to use the granted stretch of time productively.

Thus, after being reassured by the trustworthy door lock, he sits back, returns to zen mode and takes plenty of time to write a peculiar article in honour of a peculiar place: the restroom.

Now, if you would excuse me, I need to get back into that terrible shopping mall.

© Stefan Hoekstra/The Social Writer, 2019. Unauthorized use/and or duplication of this material without express and written permission from the site’s author and/or owner is strictly prohibited. Excerpts and links may be used, provided that full name and clear credit is given to Stefan Hoekstra and The Social Writer with appropriate and specific direction to the original content.