Summer Journal: Dutch Siesta

I’ve started a summer journal. This is a note from 26-06-2020.

It’s 11:57 PM now. The temperature is about 23 degrees celsius. It has been the warmest day so far this year. And -yes I might sound ungrateful- hopefully the last. As said in earlier notes, this country is underprepared for this type of weather. It doesn’t have a siesta like in Spain. The economy isn’t halted even the slightest bit. Activities aren’t postponed. Life doesn’t slow down. Work intensity isn’t diminished. 

Frankly, the approach in the Netherlands seems to be even counterintuitive: The stronger the heatwave, the more active Dutch people become. Today, streets were sprawling with sweaty folks, hurrying to and fro on their bike with a red face. To the beach. To work. To the terrace. Or to accomplish all these activities within the same day. 

Despite global warming, Dutch people still gratify each warm day as if it were the last. Muggy and uncomfortable days like these are still perceived as seldom and need to be fully exploited. I think it’s a reflex which occurs whenever we see ’thirty degrees’ appearing on the forecast. It’s an old habit, originating from the harsh winters and disappointing summers we used to have in the past.

But those times are now disappearing and slowly being replaced by hot and wet seasons, like in Asia. As with any obsession, not much is left of its origins, but the reflex remained. Foreigners from warmer countries must witness this awkward summer obsession with spanish shame. 

Air Conditioners

A related development is the multiplied purchase of air conditioners. From a growing amount of apartments, I see the unmistakable airco hoses sticking out of the windows. Some inhabitants have even fabricated a wooden construction, from where the hose can eject the warm air. 

Herewith, I’d like to make a modest correlation with the end of mankind. It’s quite a simple circle really: People have made the world warmer by using too much energy, and now they need air conditioners to bear with the heat they created, using more energy, increasing warmth even more, for which more air conditioners are needed. 

Why would this be the end of mankind? Well, because people buy the air conditioners for their own good, and don’t take into account the macro outcome. A large chunk of people cannot transcend their own life-span. Long term effects are therefore not considered, for it won’t be their responsibility anymore after they die; Most of the ecological problems of the world of today, have been created by those who didn’t care about the world of tomorrow.

It’s outright selfish, but unfortunately very natural human behaviour. The end of mankind is near, but if you happen to be an air conditioner salesman, you might be able to hold out a little longer than the rest of us. You might even be the last man standing.

Photo credit: Tim Roosjen

© Stefan Hoekstra/The Social Writer, 2020. Unauthorized use/and or duplication of this material without express and written permission from the site’s author and/or owner is strictly prohibited. Excerpts and links may be used, provided that full name and clear credit is given to Stefan Hoekstra and The Social Writer with appropriate and specific direction to the original content. 

36 uur in Vietnam

Na de onaardse schoonheid van Ninh Binh, arriveren we in de provinciale stad Tranh Hoa. Terwijl we in een snikheet café al twintig minuten op onze koffie wachten, denken we kort terug aan de imposante en ongewone rotsformaties die we de afgelopen dagen hebben mogen aanschouwen. Een onwerkelijk landschap waarin steile, puntige krijtrotsen worden afgewisseld door uitgestrekte moerassen en groene rijstvelden. Kort bespreken we de pracht van de ondergaande zon, die in slechts enkele minuten achter een rots weggleed. Hoe de Aziatische zon een andere is dan de onze. Vooral de snelheid van het ondergaan en het bijgaande kleurrijke schouwspel is iets wat zich alleen kan manifesteren dichter bij de evenaar, zoals hier in Vietnam. De herinnering aan de dagen in Tam Coc en haar omgeving zullen zich diep in ons geheugen nestelen. De beelden van deze donker oranje gloed zullen op onverwachte momenten, wellicht in Nederland op kantoor, weer eens de gedachten passeren. 

We bevonden ons tijdens het begin van deze reis op het zogeheten bewandelde pad. Vaak namen we prijzige touring bussen, die je in overvloed hebt in Vietnam en uitsluitend door toeristen gebruikt worden. Voornamelijk door stellen van jongere leeftijd, waartoe ook wij behoren. De weg naar Ha Long Bay bijvoorbeeld, verliep op deze manier en was zelfs inclusief boottocht. Het was comfort alom. We hoefden niet veel na te denken en er kwam weinig logistieke planning bij kijken. De gehele rit was er WiFi, dus passagiers hoefden ons ook niet te vervelen of uit het raam te staren. We werden probleemloos van attractie naar attractie gereden, een ogenschijnlijk ideale manier van reizen. Bijkomend pluspunt is dat er in al deze bussen geen Durian geur te bekennen was. Alleen, in onze optiek, werd deze manier van reizen na een poosje een beetje saai. Na de dagen in Tam Coc gooiden we het roer om, en dat hebben we geweten.

Vandaag was een zware, uitputtende dag. Zo’n acht uur voordat we in dit café aankwamen, verlieten we onze comfortabele homestay. Zonder plan of vooraf geboekte bustickets. En dat staat in Vietnam gelijk aan valsspelen. Het wordt er simpelweg niet getolereerd dat je buiten het bewandelde pad om reist. Dat je dure, en met WiFi en airco uitgeruste vervoermiddelen weigert. Je bent een toerist, bent blank en hebt dus een goed gevulde portemonnee voor een exclusieve manier van reizen. Dat is doorgaans de gedachtegang bij zowel de lokale bevolking als bij medetoeristen. En dat is een klevend plakkaat. Het is een kenmerk van een land dat tegelijkertijd bekend én totaal onbekend is met haar toegenomen aantal internationale bezoekers. Op de meetlat van toeristische volwassenheid is Vietnam te vergelijken met een onberekenbare puber, zoekend naar haar identiteit. 

Van dit stigma moesten we ons ontdoen. En het kostte de nodige moeite om niet alsnog de toeristenbus te worden ingedrukt. Na wat noedels voor ontbijt stapten we in een schimmige taxi en werden vervolgens afgezet naast een brandend hete snelweg. Een paar Vietnamese dorpelingen had ons eerder met tegenzin aangeraden een busje aan te houden. En het duurde inderdaad slechts vijf minuten voordat een roestig bestelbusje, uitgerust voor personenvervoer, voor ons stopte. Met vage letters was beschreven dat Tranh Hoa de eindbestemming was. Maar waar precies in deze grote stad, was niet duidelijk. Met het betreden van dit busje, betraden we tegelijkertijd een geheel nieuwe wereld. De airco stond zeker niet hoger dan tien graden. De transitie van 35 graden naar 10, is misschien wel te vergelijken met jezelf opsluiten in een enorme koelkast.

En, er was geschreeuw. Heel veel geschreeuw. In onverstaanbaar Engels probeerden de lokale inzittenden met ons te communiceren. De één vanuit interesse, de ander enigszins chagrijnig. Weer een ander was vooral geïnteresseerd in de schamele inhoud van mijn portemonee. De commotie die ontstond toen we instapten was groot. En dat bleef zo gedurende de gehele rit. Bij het naderen van Tranh Hoa liep het busje langzaam leeg. Een nerveus gevoel begon zich te ontvouwen want dat betekent vaak maar een ding. Namelijk dat de eindbestemming dichtbij is. Al voordat we de buitenwijken van Tranh Hoa hadden bereikt sloeg de chauffeur plotseling af. Na wat gebrekkige communicatie met de chauffeur bleek dat het busje slechts kortstondig op de ringweg zou stoppen, en daarna door zou rijden naar een gehucht ver voorbij de stad.

Uiteindelijk streken we neer op een verlaten tankstation, zo’n tien kilometer van het stadscentrum. Het lag aan een betonnen wirwar van wegen, zoals je die ook wel rondom Europese metropolen ziet. Ouderwets liften of het verkrijgen van ander openbaar vervoer was nagenoeg ondenkbaar. Zodoende waren we genoodzaakt wederom een taxi te raadplegen die ons voor een astronomisch bedrag zou afzetten in het centrum. Ons koppige idee om de toeristenstroom te ontlopen door gebruik te maken van het openbaar vervoer, liep uit op een kleine ramp. Het was een optelsom van het gebrek aan informatie, de onwelwillendheid van op geld beluste Vietnamezen en onze eigen miscalculatie. Niettemin zijn we (enigszins gehavend) aangekomen in Tranh Hoa. Dit is een middelgrote plaats, die niet specifiek ergens om bekend staat, behalve om haar lange wachttijden in koffiehuizen. 

Nachtelijke ontmoetingen

Daar zitten we nu nog steeds te wachten op onze Vietnamese koffie, en op de trein naar Da Nang. Eindelijk. De trein, waar we veel goede verhalen over hebben gehoord. Volgens verschillende bronnen is dit verreweg de meest comfortabele manier van reizen in Vietnam. In tegenstelling tot de infameuze slaapbus wordt de trein bestempeld als veilig. Dat betekent in dit werelddeel doorgaans dat de trein in ieder geval een kleinere kans heeft om in de afgrond te belanden dan de bus.  Bovendien heeft de slaaptrein altijd iets romantisch, met haar knusse cabines en het rijdende restaurant. We zijn er zeker van dat alles vanaf nu beter zal worden. Na een flinke opkikker van de beruchte Vietnamese koffie, lopen we moeiteloos met onze zware bepakking richting het kleine station. Tijdens het kopen van tickets valt de electriciteit een paar keer uit, wat overigens geen ongewoon verschijnsel is in Vietnam. Het is in ieder geval te hopen dat ziekenhuizen van een ander elektriciteitsnetwerk gebruik maken. 

In Vietnam is het haast onmogelijk om te ontsnappen aan speciale ticketprijzen voor ‘buitenlanders’. Wat de lokale bevolking betaalt voor een kaartje is onduidelijk en waarschijnlijk een staatsgeheim. Maar wat wel duidelijk is, is dat de prijs voor een enkeltje naar Da Nang voor toeristen bijna een half Vietnamees maandsalaris kost. We zien onszelf daarom genoodzaakt om in plaats van de bejubelde slaapcabine, een stoel te boeken voor de komende twaalf uur. Na het kopen van de prijzige tickets (met opschrift: buitenlander) haasten we ons naar het platform, want het getoeter van de trein is in de verte te horen. Desondanks duurt het alsnog een kwartier voordat de ploeterende trein het station binnen rolt.  Het zien van de gehavende wagons vaagt in een klap alle hoop op een romantische treinrit weg. 

Enigszins twijfelend betreden we de wereld van de Aziatische spoorwegen, naïef zoekend naar onze stoelnummers en tot vermaak van de grinnikende Vietnamezen in de cabine. Ondanks dat we hier en daar al wat beestjes hebben opgemerkt, gaan we aanvankelijk rustig op onze stoel zitten. De deuren zijn nu gesloten en de trein komt schokkend in beweging totdat de topsnelheid van ongeveer 25 km/h bereikt is. Plots klinkt er een doordringende gil van mijn vriendin. Want naast de Vietnamezen en wij als ‘buitenlanders’, blijkt er nog een derde categorie passagiers mee te reizen naar Da Nang; kakkerlakken. Alle soorten en maten. De komende twaalf uur zitten we opgesloten in een cabine met duizenden kakkerlakken, die voor de Aziaten onzichtbaar lijken te zijn en ongehinderd over alle tafels, stoelen, kussens, benen en hoofden krioelen. De eerste tijd proberen we nog terug te vechten, wederom tot vermaak van de inmiddels schaterende medepassagiers. Maar voor elke geplette kakkerlak komen er drie terug. Na een poosje begint onze vechtlust af te nemen en afgezien van een gefrustreerde slag met de slipper hier en daar, laten we het maar op zijn beloop.

De overige passagiers gaan rustig door met het spelen van bordspellen terwijl zespotige ziekteverspreiders de cabine overnemen. De kalmte die gemanifesteerd wordt door Vietnamezen onder zulke omstandigheden is indrukwekkend. Deze ultieme zen modus wordt nog eens bevestigd als ik een naderende kakkerlak weg tik, en onverhoopt op het hoofd van een slapende juffrouw terechtkomt. Ze verroert geen spier, terwijl de lange voelsprieten haar gezicht aftasten. 

Ontsnappen naar Hue

Omdat het ons niet lukt deze staat van meditatie te bereiken, besluiten we uit te stappen in Hue, zo’n tweehonderd kilometer voor eindbestemming Da Nang. Het kleine kopje Vietnamese koffie houdt ons nog steeds op de been, en zonder enige tekenen van vermoeidheid wandelen we de straten van Hue op. Het is inmiddels dageraad, en de bekende oranje gloed verlicht de horizon, wat bij ons zorgt voor een sterk gevoel van opluchting. Het kost niet veel tijd om erachter te komen dat Hue een stad is van oogstrelende schoonheid. Letterlijk. Want in contrast met de weerzinwekkende trein, lijkt deze stad de belichaming van hygiëne. Vooral in het ochtendgloren is het een genoegen om hier te vertoeven. Het weertype is bovendien aangenamer, met minder luchtvochtigheid en een frisse wind. Na een poosje slenteren horen we rumoer in de verte en volgen het geluid. Kort daarop aanschouwen we de Vietnamese variant op ‘Nederland in beweging’, een opmerkelijke vertoning waarbij honderden ouderen groepsgewijs de dag beginnen, bloedserieus dansend op vergeten krakers uit de jaren tachtig. Een melancholisch aanzicht. 

Snel laten we de bulderende luidsprekers achter ons en starten de helse zoektocht naar een onderkomen. We weten inmiddels dat, wanneer het om hotelbeoordelingen gaat, Vietnamese hotels een aangepaste wijze van interpreteren vereisen. De hotelscore delen door 1,4 volstaat doorgaans om tot een betrouwbaar oordeel te komen. Een Vietnamese 8 is dus in ‘werkelijkheid’ een 5.7. Het nadeel van deze meting is dat er na filteren er slechts een handjevol peperdure accommodaties overblijft, waaronder de lokale Hilton. 

Toch vinden we een goed onderhouden hotel en slaken een zucht van opluchting wanneer we neerploffen op het kakkerlak-loze bed. Al wordt ik diezelfde nacht nog wel een paar keer zwetend wakker, zoekend naar mijn slipper. 

Een bitterzoete nasmaak

Hue verschilt wezenlijk van haar noordelijke tegenhangers zoals Hanoi en Tranh Hoa. Laatstgenoemde zijn steden die je de illusie kunnen geven dat er geen uitweg is. Waar veilig oversteken een topprestatie is. En waar roken mogelijk gezonder is dan lucht inademen. Hue ontbeert het, behalve de eindeloze stroom scooters, aan dit alles. Haar lange, rechte promenades worden afgewisseld door plantrijke parken, gelegen aan wijde voetgangerspaden. Na een verkoelende douche begeven we ons naar de voetgangersstraat. Het is onze eerste kennismaking met het feit dat voetgangers de prioriteit hebben boven lawaaiige scooters en ronkende vrachtwagens. De duizend meter lange wandelstraat is ‘s avonds afgezet met hekken, waardoor rustzoekende toeristen en stedelingen voor even verlost zijn van het toeterende gekkenhuis overdags.

Ook is Hue een toonaangevende studentenstad. En zoals bij veel studentensteden wereldwijd het geval is, betekent dit veel levendigheid en bruisende straten. We slaan de rijen toeristische cafés over en ploffen neer op een terras, volgepakt met zorgeloos ogende studenten. De verdeeldheid tussen reizigers en de lokale bevolking is hier goed zichtbaar. Westerse restaurants zitten halfvol met schuchtere westerlingen die westers eten bestellen. Andere cafés barsten uit elkaar door de honderden luidruchtige Vietnamese studenten. 

Onder het genot van een Saigon Bia’tje, erkennen we beide de ambivalentie van een reis in Vietnam. Nét op het moment dat je gillend terug wil naar Europese standaarden, ontdek je weer een betoverende plek of stad die je van gedachten doet veranderen. En dat zorgt voor een onvoorspelbaarheid die je geboeid houdt. In ons geval zelfs van Hanoi tot aan Ho Chi Minh Stad, waar we na vier weken vaarwel zeggen tegen dit rauwe Aziatische land. 

Opa

Het klinkt misschien clichématig, maar als je een Russische vriendin hebt krijg je de familie er gratis doch verplicht bij. Dit heeft natuurlijk veel voordelen, maar ook zeker nadelen. In Kaliningrad werden deze uitersten nog eens extra benadrukt, want op de dag van aankomst stond de telefoon al roodgloeiend met belletjes van verre (aangetrouwde) tantes en ooms.

Het maakt in Rusland waarschijnlijk niet uit hoeveel tijd je aan familiebezoeken besteedt, het lijken er nooit genoeg te zijn. Ook maakt het niet uit of je ze ooit eerder hebt gezien; familie is familie. Ten tijde van de Sovjetunie zijn veel families versnipperd en verspreid geraakt. Dit kwam bijvoorbeeld doordat de vader werk diende te vervullen in een staatsfabriek, een paar duizend kilometer verderop.

Door de grote afstanden is het mogelijk om in hetzelfde land wonen als je bloedverwanten, zonder ze ooit gezien te hebben. Kortstondige ontmoetingen als peuter tellen niet mee. Omdat veel familie in Kaliningrad woont en wij er toch waren, is het op zijn zachtst gezegd beledigend om niet ‘even’ een dagje langs te komen. Zodoende besloten we even op de koffie te gaan bij een tante. Dit werden uiteindelijk vier dagen. Waarvan er natuurlijk niet één zonder alcohol.

Het hoogtepunt (of dieptepunt) van het bezoek, in termen van alcoholinname, was toen we de opa van mijn vriendin onze condoleances kwamen brengen. Hij had een paar maanden terug zijn vrouw verloren aan een hartstilstand. Opa woont sindsdien alleen in een klein appartementje in een buitenwijk van de stad. Ze zijn 55 jaar getrouwd geweest.

Een duizelingwekkend getal, waar ik me niks bij voor kan stellen. Ik speelde nog in de zandbak toen zij hun 25 jarige jubileum vierden. Je kunt je misschien voorstellen hoe erg ik ernaar uitkeek om op visite te komen bij deze rouwende Rus. Zowel mijn levenservaring als verlieskunde vaardigheden zijn verreweg ontoereikend om deze man enige waardevolle steun te kunnen bieden. Het beloofde een aangrijpende, aangeschoten middag te worden. Ik hield mijn hart vast.

Vanuit ons naïeve idee om een uurtje bij hem op de koffie te gaan, hadden we voor de gelegenheid wat gebakjes meegenomen. Bij aankomst in het kleine appartementje werd echter duidelijk dat opa heel andere plannen voor de daginvulling had. Zonder te glimlachen deed hij open. En in plaats van eerst de meegebrachte koffie met gebak te nuttigen, zette hij een fles wodka neer.

Dit geheel werd aangevuld met blokjes puur varkensvet, droog brood en een wat rauwe ui. Dit is in Rusland vooral bij de oudere generatie een delicatesse (of het enige voorhanden) wanneer er wordt gedronken. Mogelijkerwijs omdat het varkensvet zowaar nog onsmakelijker is dan de wodka. We zaten een poosje in ongemakkelijke stilte.

Nadat de eerste glaasjes wodka en wat stukken rauwe ui waren genuttigd (de varkensvet probeerde ik uit te stellen), verdween opa in een andere kamer. Daar frommelde hij wat in een kast en kwam terug met een oude foto van zijn pas overleden vrouw. Hij vertelde hoe ze elkaar ontmoet hadden toen ze nog tieners waren. Dit was ten tijde van het communisme, ongeveer zestig jaar geleden. Het gesprek viel op sommige momenten stil aan het kleine keukentafeltje, waarna er weer wat wodka werd bijgeschonken.

Of het nou door de alcohol aangewakkerd werd of niet, het was zwaar om te aanschouwen dat hij zijn tranen soms niet kon inhouden. Een ooit zo trotse man, zijn vrouw en daarmee zijn levensdoel ontnomen. Als je nog niet zo goed Russisch spreekt, is het moeilijk om op zulke momenten je medeleven te uiten zonder iets verkeerds of ongemakkelijks te zeggen. Helemaal als je uit beleefdheid stukken varkensvet naar binnen probeert te schrokken.

In zulke gevallen blijkt wodka een goede vriend, vooral omdat je met iedere slok beter Russisch lijkt te kunnen spreken. Zelfs de eigenaardige borrelsnacks leken door de alcohol even niet naar rubber te smaken. Dit maakt de interessante voedselkeuze van Russen wellicht wat begrijpelijker. De tijd begon te vliegen want plotseling waren we 2 uur verder en de fles was leeg. Met veel moeite voorkwamen we dat er een nieuwe werd geopend.

We besloten in beschonken toestand wat fotoalbums te bekijken met begeleidende woorden van opa. Het besef kwam op kortstondige momenten dat ik me eigenlijk in een tamelijk surrealistische situatie bevond; Op een snikhete middag stomdronken door fotoalbums van een rouwende oud-sovjet gediende bladeren, begeleid door hier en daar een (halfbakken Russisch) woord van medeleven.

De ervaring leert dat verzetten tegen de wodka doorgaans geen zin heeft, vooral niet bij een eerste ontmoeting. Misschien is het met wat slimmigheidjes echter mogelijk de schade beperkt te houden, ook al is me dat deze keer wederom niet gelukt. 

Van links naar rechts: Opa’s zoon, Ik, Opa.

© Stefan Hoekstra/The Social Writer, 2019. Unauthorized use/and or duplication of this material without express and written permission from the site’s author and/or owner is strictly prohibited. Excerpts and links may be used, provided that full name and clear credit is given to Stefan Hoekstra and The Social Writer with appropriate and specific direction to the original content.     

The Dutch Eye

Being abroad a lot, one can easily forget his roots. Recently, an enormous building had been opened in the centre of Groningen, my idyllic hometown in the north of the Netherlands. Located on its upper floor, there’s a fine cafe which offers spectacular views over the city and beyond. 

The average Italian or a Frenchman would be lyrical about the scenery. Romantic thinkers like them would be lost for words when trying to describe the aesthetics of the view.

From above, the Frenchman would perhaps notice the melancholy of Dutch weather, and the Italian would be besieging an adherent with a monologue on the town’s architectural elegance. And they’d both surely daydream how Caspar David Friedrich or van Gogh would colorize these urban landscapes. For them, aestheticism clearly comes first.

With a similar attitude, I was sitting in the cafe the other day, taking in the view and gazing over the city, giving my mind some rest while inhaling some renewed inspiration.

The spot was ideal. My table adjoined a large window, looking out across the southern part of the city.  As seen from there, the panorama was a colourful blend of red, pantile roofs and gothic church towers, contrasting against a backdrop of modern apartment blocks and offices. The finishing touch were darkened clouds that hovered above pastures far beyond the city’s bounds. 

Caspar David Friedrich – Flachlandschaft am Greifswalder Bodden 1816-18

But in a populous country like the Netherlands, in a popular outlook bar like this, on a perfect spot like mine, personal space and integrity are brushed aside. From the corner of my eye, I could see that a company of middle aged Dutch women had finished slurping black coffee. Moreover, they were marching in a fast tempo towards my table. 

The curious company came standing right behind my chair. Some of them were even leaning over me, and started making remarks about the view. Within seconds, I was trapped and surrounded, and forced to listen closely. But their comments were of a different kind than my hypothesis about the Italian or Frenchman. 

They initially exchanged some neutral facts about the city. Then, one lady (while breathing in my neck) questioned the others how the outside windows are cleaned at such heights. That clearly created uproar in the group. Thus, all possible ways of cleaning were discussed thoroughly. Does the cleaning company use a hydraulic hoist or is it all automatized? 

Without conclusion, the subject changed, as one of the ladies spotted an enormous grey building in the distance. Her comment evoked a lively discussion about its function either. Was it the tax office, or the telephone company? Another uproar amongst the practical-minded women followed.

An elderly lady with short grey hair then summed up all the names of all possible places she could reminisce. Her local shopping centre. Her previous bank. A carpet shop where she had bought a carpet. I silently wondered whether they noticed any of the panoramic beauty that presented itself to them.

The answer was no. They returned to discussing which cleaning company might be responsible for this building. Also the presumed expenses were addressed, as if it were a business meeting. After some more practical remarks, they ran out of topics and the babble died down. 

The group shuffled on, leaving me with an entirely different perspective on my hometown’s skyline; Inasmuch as the Italian and Frenchman would picture the world through the artist’s eye, these women have mastered the art of looking through the Dutch eye. 

In five minutes, this group of household women reminded me of a world view I had almost forgotten, but which is intractably inherent to my Dutch ethnicity; First comes practical functionality. And after that, if there’s time, daydreaming and romanticizing is allowed. 

However, an inevitable wisdom hides within this practical philosophy. Although the women were staring a little blind on the methods of cleaning, expenses and city facts, they denuded something of undeniable value: that maintaining things may not always be aesthetic and exciting, and sometimes even boring and dull, but surely unmissable.

Indeed, the magnificent building would look dreadful without adequate cleaning and maintenance. The breathtaking panorama wouldn’t even be visible, simply because of unwashed windows.

The Dutch Eye also applies to other areas of life. When not maintained attentively, the brightest flower would die, the most romantic love relationship would dissolve, and the dearest friendship would fade out.

© Stefan Hoekstra/The Social Writer, 2020. Unauthorized use/and or duplication of this material without express and written permission from the site’s author and/or owner is strictly prohibited. Excerpts and links may be used, provided that full name and clear credit is given to Stefan Hoekstra and The Social Writer with appropriate and specific direction to the original content.     

Sunday/Zondag

Scroll down for the version in Dutch.

A night in front of the television, a weekday off, or perhaps a well deserved weekend at the beach or in the woods. Nothing on your mind, a moment for yourself. These might be the most characteristic remarks of the moment. And they’re worrying too, for they denude a logic wherein moments of rest are unnecessarily confused with laziness, hence a feeling of guilt. In this contrast, Sundays are a very welcome exception. 

Popular subtexts, alongside vacation pictures on social media intended to pun colleagues at office, often imply that a moment of rest needs to be deserved in some way. Only after an undefined period of consecutive labour, a week of rest is seen as ‘well-deserved’. According to this logic, it’s a misconception that those, who are temporarily or permanently outside the labour market would be reluctant towards work, or perceive their situation as ‘easy’. Nonetheless, also their hard working counterparts, fortunate enough to enjoy a successful career, wouldn’t be able to escape it. Also they experience a likewise state of restlessness, just like a truant who cannot gratify his obtained freedom in a worriless way. 

To focus a little closer on the described phenomenon, imagine yourself the main character in the following story.

It’s an ordinary wednesday morning, somewhere in february. Outside, it is chilly and unpleasant. Fierce rain is battering the windows relentlessly. The sun won’t show itself today, that much is certain. Around six o’clock in the morning, most citizens are starting to pave their way to their job places. From students to construction workers, they all share a collective goal; being on time. Rush hour, generally between eight and nine, makes account for the climax of this hasty scene. 

Even with windows firmly closed, the awakening of society is well hearable. A continuous background noise, coming from heavy traffic on a nearby motorway completes the abundance of sounds. Some people take the public transport. Other, less fortunate souls are hurrying by car, only to subsequently merge into a sluggish traffic jam. Children biking to school have to endure a harsh headwind while cycling for thirty minutes. Experience teaches that the same wind turns one-hundred-and-eighty degrees, just to make the ride homewards similarly unpleasant. 

It’s little before ten o’clock in the morning, the crowded bustling in the streets had somewhat lessened, after which calmness is slowly returning. Intersections are accessible once again, and the traffic jams are gently dissolving. The frequency of bus services is temporarily bisected. For about eight hours, the streets are subject to relative tranquility, until all the turmoil will commence anew in the evening. This time, all sharing the collective goal to be home on time, while food deliveries are roaming the streets.

But you didn’t notice anything of all this hassle. All this time, you were tucked away in a warm bed. Only now, you’re stumbling towards the kitchen to silence the unbearable hunger which is tormenting you. Without a clear reason, you return to bed a few times. A little surly, you’re mumbling sleepily something which sounds like ‘’what are they all doing that for..’’

Normally speaking, today’s agenda would be filled with appointments and meetings, but now there are no such obligations. While you just started brushing your teeth around noon, corporations around the corner already made deals worth millions. Elsewhere in the city, numerous students have had their first lectures. You’re well-aware of that. And despite their misery around daybreak, they’re at least exculpated from agonizing feelings of guilt. Indeed, it is not fair that others sacrifice their morning to keep economy running. The reasoning goes that another employee needs to work twice as hard, just to make up for your absence today.

Holding a cup of tea in your hand, you plunge into a comfortable chair next to the window, with a view over the adjoining street. Loud street workers are reminders that the working day is in full progress. The poor souls that are your colleagues weren’t refrained from the relentless downpours this morning, and are now drying up during a spine chilling meeting about the marketing strategies for the coming months. In spite of being exempted from all this dread, there are nonetheless mixed feelings. In an attempt to escape them, it is wishful to undertake something productive. Anything.

The apartment had been thoroughly cleaned just days beforehand. Only yesterday, it was vacuumed. But even so, it doesn’t retain you from doing another round around the living room, for unused time seems to be lost time. The lazy moment in front of the window didn’t last long. Merely seconds later, you open the laptop, to catch up on some overdue work. By doing this, the pressing feeling of uselessness is upheaved. Yet, another rare and valuable moment of peace had dissolved into oblivion. 

How often do you hear people say; ‘now I should really start doing something’. What’s the origin of this pushy remark? The feeling of guilt is one of the thriving forces, fundamental to the success of a capitalistic economy. This unpleasant feeling exists when potentially productive time stays unused. And it can be diminished directly when something is being undertaken, preferably in return for salary or another form of payment. Economically seen, this is a tremendously effective mean. A tortuous feeling of discomfort and dissonance can occur to you on moments which are experienced as inefficient. Activities not seen as productive, add up to this feeling of guilt towards the hard working society. Presumptively, all the others are, as said earlier, working hard to keep economy going. 

Classical sociologist Max Weber finds an explanation in calvinism. This is a variant of protestantism, which is based upon obtaining grace and with this, release from guilt. Working hard is a virtue, and will eventually lead to redemption. Accordingly, you will be granted permission to enter heaven. In other words; as long as you work hard enough, it might enable you to transcend the inevitability of death. In part, it possibly explains why northern economies are amongst the stronger ones globally. But unfortunately enough, it is responsible for an equal or exceeding amount of depressions and sorrows, related to this self inflicted kind of work pressure. 

Also, not everything can be ascribed to receiving a high salary, because ironically, salary has a lower priority than cancelling out the aforementioned feeling of guilt. Most people work much more than is required for basic human needs. The old antecedent of guiltiness – christianity- appeared to be an utmost important mean to sustaining economy, despite having forgotten of its other advantages such as calmness and peace of mind. And that has severe consequences; burn-outs have been topping the charts of prominent psychological issues. 

There are only a few moments during the week, on which it is nowadays allowed to enjoy free time, liberated from the feeling of guiltiness. And that’s also thanks to our religious past: Sunday.

Sunday. This is a day unlike the others. The heavy background noise of traffic in the distance has diminished. Streets are somewhat accessible, and shortly deprived of any noisy street workers. The absence of sound is noticeable everywhere. Just for a brief moment, it appears that economy took some space to breathe. But in contemporary times, the short break is unfortunately only serving the purpose of regaining strength for another week of competitiveness. 

Quite saddening, the break doesn’t serve the genuine gratification of calmness that it deserves, but is merely a recharging moment in disguise, just to be even more competitive afterwards. And to a worrying extent, the soothingness of Sunday is under siege, as the desire for limitless shopping is increasing. After a brief moment of calmness, large grocery stores start opening their gates, to unleash masses of needy consumers who were already impatiently waiting. Frequently throughout the day, big, noisy lorries unload their content to keep the customers fulfilled. The necessary distinction between Sunday and ordinary days is fading slowly. To still find solace on a Sunday afternoon, a getaway to the forest or countryside might be more alluring.  

But moments of genuine rest and reflection which might occur on a calm Sunday are becoming ever more scarce. Henceforth, some are ultimately sentenced to lay down work because of a work related depression as a consequence of our 24/7 economy, still fuelled by feelings of guilt. 

Sociologist Hartmut Rosa explains that acceleration of social processes are responsible for a growing desire to slow down. This is one of the unintended consequences of our endless endeavour toward efficiency and therewith lowering the expenses. People have more time saving technologies than ever before, yet ironically there has never been as little time available, as now. The expansive possibilities to communicate carry with them that labour isn’t limited to merely office hours. Contact between supervisor and employee reach out far into private life. The bounds, keeping apart private life and work, are subject to an increasing vagueness. An innocent message about a prospective meeting or some overdue work is easily sent, and can ostensibly do not much harm.

For most people, monday morning may be the week’s least favourite moment, exactly because just twelve hours earlier, everything was so different. Monday is perhaps comparable to this one colleague who, during the break, cannot wait to start working again. Sunday might be more similar to this one psychologist who emphasises for you to really slow down now. 

This essay was initially written in Dutch, in September 2018. That original article is placed underneath. It has been translated by myself into English in November 2019.

***

Zondag

Een avondje voor de televisie of een doordeweekse snipperdag, of wellicht een welverdiend weekend aan het strand of in de bossen. Even helemaal niks, een moment voor jezelf. Het zijn misschien wel de meest kenmerkende uitspraken van dit moment. En zorgelijk zijn ze ook in bepaalde zin, want ze leggen een logica bloot die essentiële rustmomenten onnodig verwart met luiheid. Zondagen vormen een verademende uitzondering.

Populaire bijschriften wanneer vakantiefoto’s door middel van sociale media worden gedeeld of naar collega’s worden verstuurd, impliceren meestal dat een rustmoment verdiend moet worden. Pas na een ongedefinieerde periode van aaneengesloten werken, is een weekje vakantie ‘welverdiend’. Volgens die logica is het een misvatting dat degenen die tijdelijk of permanent buiten de arbeidsmarkt vallen, onwelwillend tegenover werk zouden staan of hun situatie als gemakkelijk beschouwen. Niettemin zal ook het overgrote deel van de samenleving, de fortuinlijken met een succesvolle carrière, er niet aan ontkomen. Zij ervaren net zo goed de rusteloze gemoedstoestand, zoals een spijbelaar die niet zorgeloos kan genieten van de verkregen vrije tijd.

Het is een doorsnee woensdagochtend, ergens in februari. Buiten is het guur en onaangenaam. IJzig koude regen slaat genadeloos tegen de ramen. De zon zal zich niet laten zien vandaag, zoveel is duidelijk. Rond zes uur in de ochtend beginnen de eerste mensen zich een weg te banen door het vreselijke weer, op weg naar verschillende werkplekken. Van studenten tot bouwvakkers tot ambtenaren, allen hebben ze hetzelfde doel; op tijd zijn. Het spitsuur, meestal tussen acht en negen, vormt het hoogtepunt van dit haastige tafereel.

Zelfs met gesloten ramen is het goed hoorbaar dat de samenleving ontwaakt. Een constant achtergrondgeluid van vrachtverkeer op de omringende snelwegen vult het geheel aan. Sommigen nemen het openbaar vervoer, en minder fortuinlijke zielen haasten zich met de auto om vervolgens deel uit te maken van een schoorvoetende file. Schoolkinderen fietsen een half uur lang met tegenwind naar school. De ervaring leert dat de wind daarna honderdtachtig graden draait, klaar om de terugrit eveneens onaangenaam te maken.

Tegen tien uur in de ochtend is het gedruis en gedrang in de straten wat verminderd en keert de kalmte zachtjes terug. De kruispunten zijn weer enigszins toegankelijk en de ontstane verkeersopstoppingen lossen zich langzaam op. De interval op het schema van stadsbussen en tramlijnen halveert. Ongeveer acht uur lang zal er relatieve rust heersen, totdat alle commotie rond vijf uur opnieuw begint. Ditmaal met het collectieve doel om op tijd thuis te zijn, met de uitzondering dat dan ook haastige (soms opdringerige) bezorgdiensten deel uit maken van de krioelende massa op straat.

Maar van dat alles kreeg jij weinig mee. Je lag al die tijd in een warm bed, en strompelt nu al gapend richting de keuken om de inmiddels ondraaglijke honger te stillen. Zonder goede reden keer je daarna nog enkele keren terug naar bed. Ietwat humeurig mompel je half slaperig iets wat klinkt als; ”waar doen ze dat allemaal toch voor..”

De agenda staat normaal gesproken vol met werkafspraken en vergaderingen, maar dit is een vrije dag. Vandaag hoeft er niks. Terwijl je rond twaalf uur in de middag net de tanden poetst, zijn er in kantoorgebouwen om de hoek al miljoenendeals gesloten, is elders in de stad een nieuwe snelweg voltooid en hebben studenten hun eerste colleges gehad. Daarvan ben je je goed bewust. Maar ondanks de file ellende bij dageraad, zijn zij in ieder geval allemaal vrijgepleit van schuldgevoel. Na een periode van aaneengesloten werken, zou deze vrije dag welverdiend moeten zijn. Maar geleidelijk aan bekruipt je toch een onprettig gevoel. Eigenlijk is het niet eerlijk dat anderen hun ochtend hebben opgeofferd om de economie welvarend te houden. Iemand anders moet nu twee keer zo hard werken om jouw afwezigheid recht te trekken, is de redenering.

Met een kop thee neem je plaats in een luie stoel, met uitzicht over de aangrenzende straat. Luidruchtige straatwerkers herinneren je eraan dat de werkdag nog in volle gang is. Je arme collega’s zijn niet gespaard gebleven door de hevige regenbuien van vanochtend en zitten nu op te drogen in een saaie vergadering over de marketingstrategie voor de komende maanden. Ondanks dat jou dit bespaard blijft, en je zelfs nog een treiterend bericht naar hen stuurt, is er sprake van gemengde gevoelens. Om hieraan te ontkomen, is het wenselijk iets productiefs te ondernemen. De woning is kortgeleden nog grondig schoongemaakt en gisteravond is er nog gestofzuigd. Toch weerhoudt je dit niet van een extra ronde met de stofzuiger, want onbenutte tijd is verloren tijd. Het kalme moment heeft uiteindelijk niet lang geduurd. Slechts enkele momenten later wordt de laptop geopend, om wat achterstallig werk te voltooien. Het prangende gevoel van nutteloosheid is hiermee tijdelijk opgeheven. Niettemin is er wederom een belangrijk rustmoment verloren gegaan.

Hoe vaak hoor je mensen wel niet zeggen; ‘nu moet ik toch echt wat gaan doen’. Maar waar komt deze opdringerige gedachte vandaan? Schuldgevoel is een van de drijvende krachten achter de kapitalistische samenleving. Dit nare gevoel ontstaat wanneer potentieel productieve tijd onbenut blijft. En het kan direct opgeheven worden zodra iets ondernomen wordt, bij voorkeur tegen betaling of salaris. Dit is economisch gezien een doeltreffend mechanisme. Een onbehaaglijk gevoel van dissonantie kan zich manifesteren op momenten die als inefficiënt worden ervaren. Activiteiten die als onproductief worden gezien dragen bij aan dit vervelende gevoel van schuld tegenover de hardwerkende maatschappij. Alle anderen offeren immers hun vrije tijd op om de economie draaiende te houden.

De klassieke socioloog Max Weber legt de oorzaak ervan grotendeels bij een economische implementatie van het calvinisme. Een religieuze stroming die grotendeels gebaseerd is op het verkrijgen van vergiffenis en daarmee op het gevoel van schuld. Als je maar hard genoeg werkt word je door God vergeven, en op die manier verkrijg je toegang tot de hemel. Met andere woorden: het zorgt ervoor dat je de onvermijdelijkheid van de dood misschien beter kunt verdragen als je maar hard genoeg werkt. Dat verklaart wellicht waarom noordelijke landen een overwegend en relatief sterkere economie hebben. Maar onfortuinlijk genoeg een evenredig of overstijgend aantal depressies en klachten gerelateerd aan deze zelf opgelegde werkdruk.

Ironisch genoeg heeft salaris in deze zin een lagere prioriteit dan het opheffen van dit schuldgevoel. Velen werken immers (veel) meer dan nodig is voor een aangename levensstandaard en de menselijke basisbehoeften. De oude drijfveer van schuldgevoel, het christendom, blijkt een uiterst doeltreffend middel voor de Nederlandse economie, ondanks dat we haar andere belangrijke voordelen zoals kalmte en structuur zijn vergeten. En dat heeft gevolgen.

Er zijn maar een paar momenten in de week waarop het tegenwoordig mogelijk is om in harmonie met je gevoelens te genieten van vrije tijd. En ook die hebben we te danken aan ons religieuze verleden. Zondag. Dit is geen vrije dag zoals alle andere. De achtergrondruis van vrachtverkeer is sterk afgenomen. Straten zijn voor korte tijd verlost van rumoerige constructiewerkers (met uitzondering van sommige fanatieke doe-het-zelvers, die het de perfecte dag vinden voor het uitproberen van nieuw oorverdovend gereedschap.)

Kalmte dient zich nu aan in de vorm van stilte, die overal merkbaar is. Het constante gebrul van de snelweg is absent en de straten zijn enigszins begaanbaar. De afwezigheid van geluid is overal hoorbaar. Voor even lijkt het alsof de doorrazende economie een broodnodige adempauze heeft ingelast. Maar de korte onderbreking dient helaas vooral om zich weer op te laden voor een nieuwe week competitie van concurrerende economieën, en jammerlijk genoeg in mindere mate om oprecht de waarde van kalmte te ervaren. Het is geen feitelijke verlangzaming, maar een verhulde adempauze die dient om daarna nóg productiever te worden. Sommigen worden door hieruit voortkomende tekenen van depressie veroordeeld tot het neerleggen van werk, zoals bij een burn-out.

Volgens socioloog Hartmut Rosa zorgt de acceleratie van maatschappelijke processen voor een toenemend verlangen naar perioden van verlangzaming. Dit is een van de onbedoelde gevolgen van het eindeloze streven naar efficiëntie en daarmee kostenbesparing. De mens heeft meer tijdbesparende technologieën dan ooit tevoren, toch werd er nooit zoveel tijdgebrek ervaren als nu. De vele mogelijkheden tot communicatie brengen met zich mee dat de arbeidsethos zich niet meer beperkt tot kantoortijden. Contactmomenten tussen leidinggevende en werknemer reiken tot diep in het privéleven. De vervaging van de grens tussen privé en werk is al enige tijd onderweg. Een onschuldig berichtje over een vergadering of achterstallig werk is immers snel en makkelijk, en kan (ogenschijnlijk) weinig kwaad.

Maandagochtend is voor velen het minst favoriete moment van de week, juist omdat het slechts een etmaal terug allemaal zo anders was. Maandag heeft de ondankbare taak om de economische pauze tot een abrupt einde te brengen. Wellicht is Maandag vergelijkbaar met die ene over-enthousiaste collega die tijdens de lunchpauze het werk niet snel genoeg weer op kan pakken. Zondag toont wellicht meer gelijkenis met die ene psycholoog die nog eens extra benadrukt dat je het toch echt wat rustiger aan moet gaan doen.

© Stefan Hoekstra/The Social Writer, 2019. Unauthorized use/and or duplication of this material without express and written permission from the site’s author and/or owner is strictly prohibited. Excerpts and links may be used, provided that full name and clear credit is given to Stefan Hoekstra and The Social Writer with appropriate and specific direction to the original content.

Afscheidsplaatsen

Luchthavens, trein- en busstations hebben iets eigenaardigs gemeen. Duizenden familieleden, geliefden en goede vrienden nemen er dagelijks afscheid van elkaar. Soms voor een paar weken, soms voor onbepaalde tijd. Sommigen kunnen de tranen nauwelijks bedwingen en anderen schudden elkaar zakelijk de hand, wanneer het moment daar is.

Op luchthavens in het specifiek, heeft het afscheid doorgaans een definitief karakter. Vliegtuigen hebben immers het indrukwekkende vermogen om de marge tussen twee zielen in korte tijd te vergroten tot duizenden kilometers, terwijl vliegtuigmedewerkers je loten proberen te verkopen van dubieuze buitenlandse kansspelen.

Voor geliefden in het bijzonder is de luchthaven een wrede plek. Al druk zoekend naar de juiste vertrekhal bekruipt hen een wrang gevoel van tegenstrijdigheid. Het pijnlijke loslaten voelt namelijk als een vonnis, dat ook nog eigenhandig voltrokken moet worden. Snel na aankomst zullen zij zich in aparte ruimten bevinden. De automatische deuren aan het eind van een fel belichte vertrekhal symboliseren de onverbiddelijke grens tussen distantie en nabijheid. Deze klinische omgeving is de laatste plaats voor een reeks omhelzingen en andere uitingen van affectie.

Op een ongespecificeerd moment wordt besloten dat het tijd is om te vertrekken. Tijdens het weglopen verdwijnt het gezicht van je geliefde dan langzaam tussen massa’s haastige reizigers. Oogcontact met elkaar wordt steeds moeilijker. Streng toekijkende douanebeambten geven geen blijk van geen mededogen. Op dit punt laten ze zelfs een korte omhelzing niet meer toe. Zij hanteren zorgvuldig de regels, en manen de afgeleide afscheidnemers hun attributen in de juiste bak te plaatsen. Want de vloeibare middelen zitten doorgaans in het verkeerde type plastic zakje met zipsluiting, en door wat overgebleven muntgeld in de broekzak ziet de metaaldetector je als een potentiële vliegtuigkaper.

Maar het groeiende idee van de aanstaande distantie tussen beiden maakt elke kortstondige glimp van je beminde levensechter dan het meest geavanceerde communicatiemiddel kan compenseren. Onafgebroken oogcontact zet zich voort totdat het simpelweg niet meer mogelijk is, en de geautomatiseerde deuren onherroepelijk dichtvallen.

De inmiddels zo vertrouwde gevoelens van genegenheid en geborgenheid maken abrupt plaats voor desillusie en verdoving. Dit dringt tot het bewustzijn door in de vorm van hevige twijfels over de juistheid omtrent de beslissing van dit vaarwel.

Helemaal onterecht is dit niet; allerlei onzekere factoren beïnvloeden de kans op een (snel) weerzien. Vanuit het perspectief van de geliefde is het transportmiddel immers een vliegende kerosinetank, die met ruim negenhonderd kilometer per uur, op elf kilometer hoogte, door extreme weersomstandigheden zal razen. Een opsomming die weinig vertrouwen ontlokt.

Een droge mededeling op een enorm scherm in de hal duidt vervolgens aan dat het betreffende vliegtuig is opgestegen. Niet alle duizenden probleemloze vluchten, maar juist de dramatische beelden van mogelijke rampscenario’s treden direct op de voorgrond bij de machteloze achterblijver. Lichtelijk paranoïde beelden van een allesvernietigende confrontatie tussen de straalmotoren en wat onoplettende ganzen, of van een mentaal instabiele copiloot die het vliegtuig de grond injaagt, passeren met regelmaat de gedachten. Paniekaanvallen zijn niet uitgesloten.

Dergelijke voorstellingen houden stug aan totdat de verkeerstoren de ontnuchterend zakelijke melding maakt dat vluchtnummer BT451 volgens dienstregeling is aangekomen. Amper twee uur na het opstijgen staat het vooraf zo gedoemde projectiel weer veilig aan de grond.

In de ochtend samen, in de middag alleen, of andersom. In de eerste uren na het afscheid, meestal in de trein of bus, volgt een hartverscheurend gevoel van eindeloze leegte. Het contact met je geliefde gaat onverminderd door op de smartphone, waarbij berichten van affectie en gemis het ambitieuze doel hebben die leegte op te vullen. Maar de communicatie die eerder nog via alle zintuigen verliep, is nu gereduceerd tot een vakje waarin tekst geschreven kan worden.

Zoenen, een uiterst delicate en zachtaardige handeling tussen twee personen. Lippen van vlees en bloed, zijn nu vervangen door oncharmante kale, gele gezichtjes zonder geslacht of duidelijke etniciteit die een hartje uitspuwen. Ze zijn te vinden in een zijvakje van het virtuele toetsenbord op je telefoon en kunnen ongelimiteerd worden uitgegeven. Maar het is allemaal ontoereikend voor het voeren van de complexe, vertrouwde gesprekken zoals voorheen.

De fel verlichte trein is voor even een onverbiddelijke en confronterende omgeving. Om je heen zijn mensen druk met alledaagse bezigheden, zonder enig inzicht te hebben in de kwellende pijniging die je net bent ondergaan. Serieus ogende medepassagiers verhouden zich onverschillig ten opzichte van jouw onzichtbare wonden. Ze richten zich bijna onafgebroken op hun telefoon, laptop of tablet.

Uren geleden, toen zij nog in tenenkrommende werkbesprekingen zaten, bevond de arme afscheidnemer zich nog op vreemde bodem, verenigd met zijn of haar dierbare. De komende weken kenmerken zich door een onwennig gevoel. Zo snel als het vliegtuig de separatie vermenigvuldigde, zo tergend langzaam ontvouwen zich de eerste vage tekenen van berusting met de vretende absentie van je geliefde.

Plekken zoals een luchthaven hebben een paradoxale betekenis voor grensoverschrijdende liefde. Enerzijds functioneert de steriele ambiance van de vertrekhal als spreekwoordelijke martelkamer van het vliegveld, met haar klinisch witte muren, dichtklappende deuren en hermetisch afgesloten controleruimte met strenge medewerkers.

Daarentegen vervult de aankomsthal de genoeglijke rol van hereniging. Ongeduldig ogende individuen met bloemen of een naambordje verdringen elkaar bij de onregelmatig openslaande deuren. Alsof het een fabriek is die op volle toeren draait, rollen de gearriveerde geliefden van de productielijn. Het gemis is hiermee voor de komende tijd wellicht gedempt, totdat het schrijnende afscheid zich in de nabije toekomst wederom zal aandienen. Een patroon dat zich in een kort tijdsbestek maar beter niet te veel kan herhalen.

© Stefan Hoekstra/The Social Writer, 2019. Unauthorized use/and or duplication of this material without express and written permission from the site’s author and/or owner is strictly prohibited. Excerpts and links may be used, provided that full name and clear credit is given to Stefan Hoekstra and The Social Writer with appropriate and specific direction to the original content.